Auteur: Ron Lodewijks Pagina 3 van 4

Onprettige gedachten over de toestand van Oost-Brabant

Meer dan 2000 doden door een nieuwe uitbraak van het ebolavirus. Vorig jaar, in Congo. Meer dan 6000 mensen gestorven aan de mazelen. In Congo, ook vorig jaar. Meer dan 8000 doden in één land in één jaar.

Wat zijn de menselijke tragedies achter deze onthutsende cijfers?

We weten het niet of nauwelijks. De hele wereld, Nederland, Brabant heeft genoeg ellende aan het hoofd. Maar ook al was er geen coronavirus, dan wisten we het nog niet. Congo, Afrika, ver weg, andere cultuur. En corona is heel dichtbij. Zo werkt het.

Ook Afrika wordt inmiddels getroffen door corona. Wie dat enigszins wil volgen moet naar BBC World News kijken, niet naar de nieuwsuitzendingen in Nederland.

Een lezer van Brabants Dagblad vroeg zich deze week af waarom het coronavirus niet wordt vergeleken met de Q-koorts die in Brabant heeft huisgehouden. Duizenden mensen in de buurt van geitenhouderijen zijn sinds 2007 besmet met deze mysterieuze bacterie die door melkgeiten en ook melkschapen wordt verspreid. Zeker 95 zieken vonden de dood.

Nog steeds waart de Q-koorts rond. Het RIVM registreerde dit jaar drie gevallen tot zover. Elk jaar komen er rond 20 meldingen bij. Geiten worden inmiddels verplicht ingeënt. Een antibioticum voor mensen is er nog steeds niet, hoewel er volgens het RIVM een kansrijk middel bestaat. Mensen met een zwakke gezondheid die in de buurt van geitenbedrijven wonen, kunnen dus niet afdoende tegen Q-koorts beschermd worden.

Dat de Q-koorts geen pandemie werd, kwam omdat deze bacterie niet van mens op mens kan worden overgedragen. Omdat het coronavirus dit wel doet en zich bovendien razendsnel verspreidt is de impact vele malen groter.

Frappant is echter dat Oost-Brabantse dorpen als Boekel, Keldonk, Erp, Boerdonk en Handel waar de Q-koorts destijds hard toesloeg, nu ook het zwaarst getroffen zijn door het coronavirus.

‘Die regio, waar mijn wortels liggen, kleurt al weken vuurrood op alle kaartjes van het RIVM’, constateert Trouw-journalist John Graat. Hij maakte een fietstocht door deze ‘brandhaard van Brabant’ en schreef daar in zijn krant een prachtige reportage over.

Graat’s hele familie woont nog in deze streek. ‘Erp was een van de hofleveranciers van Bernhoven, het ziekenhuis hier vlakbij dat al een paar weken overloopt.’ Zijn zus vertelt hem dat er in de naaste omgeving van de plaatselijke mengvoederfabriek, waar zij zelf werkt, heel veel mensen ziek zijn geworden.

Ook de oude baas van de fabriek werd besmet. ‘Hij kwam erdoorheen, veel andere inwoners van Erp niet.’ Graat vreesde ook voor het leven van zijn zieke moeder, maar zij heeft het gered. ‘Mijn moeder gaat niet dood. Natuurlijk niet’, bezweert hij.

De verslaggever fietste door het epicentrum van de intensieve veehouderij. Nergens in Nederland en zelf niet in West-Europa staan zoveel varkens- en kippenbedrijven op elkaar gepakt. Een deken van ammoniak en fijnstof hangt over deze regio die zich in lengte uitstrekt van de gemeenten Bernheze tot en met Someren. En dat is niet bevorderlijk voor de gezondheid.

Wie daar leeft en woont te midden van al dat vee, loopt een opvallend risico op longontsteking. Dat is gebleken uit vrij recent bevolkingsonderzoek. Waar dit nu precies door komt, is wetenschappelijk nog niet helder. Daarvoor is meer onderzoek nodig, zo klinkt het uit de medische hoek. Want pas als we de precieze oorzaak weten, zijn er gerichte maatregelen mogelijk, zo klinkt het.

Een bekend geluid dat vooral gemeenten achterover doet leunen. Verlamd door angst voor rechtszaken en schadeclaims vanuit de bio-industrie. Al jaren staat buiten kijf dat de veehouderij in Oost-Brabant moet worden teruggedrongen om woon- en leefklimaat te verbeteren. Het krachtige overheidsbeleid dat daarvoor nodig is komt alsmaar niet van de grond.

De provincie wilde veeboeren met vervuilende bedrijven weliswaar de duimschroeven aandraaien, maar die opschoning van het milieu wordt verder uitgehold nu VVD, CDA en Forum voor Democratie samen de dienst gaan uitmaken. Zodra de coronacrisis dat toelaat wordt links Brabant door deze rechts-populistische coalitie uit het provinciebestuur geknikkerd.

Wat blijft zijn de problemen. ‘Verstedelijking, de obscene hoeveelheid productiedieren en ruim één miljard reisbewegingen per jaar, zijn ideaal voor de verspreiding van virussen’, tekende schrijver Tommy Wieringa zeven jaar geleden in het Erasmus MC op uit de mond van moleculair viroloog Ron Fouchier.

Wieringa wilde van deze expert alles weten over virussen en verwerkte de verworven kennis in zijn novelle ‘Een mooie jonge vrouw’, het Boekenweekgeschenk van 2014. De schrijver haalt deze herinnering op in zijn NRC-column van afgelopen weekeinde, te midden van de coronacrisis.

Zal het leven na deze crisis nooit meer hetzelfde zijn?

Daarover wordt al driftig gefilosofeerd. Als corona is uitgewoed, we straks tegen dit virus zijn ingeënt en de economie weer op gang is, keren dan de welvaartsmechanismen terug?

Het wachten is ondertussen op de volgende uitbraak van een dierziekte. Volgens medische deskundigen is het niet of maar wanneer. Gaat die alleen het dier treffen en daarmee de veehouderij, zoals de varkenspest van 1997 in Brabant, of wordt opnieuw de mens het slachtoffer? Dat is niet te voorspellen.

Geen geruststellende gedachten. En al helemaal niet voor Oost-Brabant.

Het klimaat aan de Kaap: zon, wind en toch een energiecrisis

Hoe kan een mens leven en hoe kan een economie in deze tijd draaien zonder voldoende energie?

In het welvarende deel van de wereld gaat het daar totaal niet over, in weerwil van de klimaatdiscussie.

Maar in Zuid-Afrika is dit vraagstuk uiterst actueel en beklemmend. Want dit land verkeert al 14 jaar in een permanente energiecrisis en het eind hiervan is bepaald niet in zicht.

Aan de orde van de dag is ‘beurtkrag‘. Een systeem van gecontroleerde stroomuitval dat de staatsenergiemaatschappij Eskom in gang zet als zij de vraag naar energie niet meer aan kan. Een noodmaatregel om het overbelaste elektriciteitsnet aan de praat te houden. Ieder dorp of gehucht, iedere stadswijk, woning, boerderij en bedrijf waar ook te lande is bij toerbeurt de sigaar.

In periodes van twee-en-een-half uur ben je één of meerdere keren per etmaal stroomloos. Als alles goed gaat wordt dit onheil tijdig van te voren door Eskom aangekondigd. En nemen in ziekenhuizen, bedrijven, restaurants, supermarkten maar ook bij mensen thuis aggregaten en accu’s de stroomvoorziening over.

Wie het kan betalen redt zich, werkt door, kookt op tijd zijn potje en kijkt gewoon naar de cricketmatch of soapserie op tv. Maar vooral kleine ondernemers, arme mensen, forenzen en onwetenden moeten improviserend verder.

Dat is midden op de dag eenvoudiger dan bij stroomuitval tijdens de avondspits en met etenstijd. Dan kan er niet worden gekookt, vallen stoplichten uit op overvolle wegen en hebben misdadigers in het donker vrij spel.

Maar het kan allemaal veel erger. Vorig jaar gaven ineens zoveel krakende kolencentrales de geest dat Eskom door het hele land aan de noodrem moest trekken om te voorkomen dat het overbelaste elektriciteitsnet zichzelf zou opblazen. Woede en onbegrip alom.

President Ramaphosa verkondigde dat dit nooit meer mocht voorkomen. Eskom betaalt zich sindsdien blauw aan diesel voor twee enorme gasturbines die worden aangezet als het spaak loopt.

Toch klapte het begin 2020 opnieuw, toen Eskom bijna 40 procent van zijn totale vermogen kwijt was. Een absoluut dieptepunt in de energiecrisis.

Deze onthutsende incidenten onderstrepen een enorm structureel probleem. Eskom produceert te weinig stroom om de economie te laten groeien en daarmee de massawerkloosheid onder met name de zwarte bevolking het hoofd te bieden. Het bedrijf zelf verdient te weinig om het hoofd boven water te kunnen houden. En belast dientengevolge burgers jaar na jaar met excessieve tariefsverhogingen.

De onvrede over Eskom is dan ook maatschappelijk diep geworteld. ,,Wij betalen steeds meer om steeds minder te krijgen”, schetst een huiseigenaar de Zuid-Afrikaanse realiteit.

Hoe heeft het zover kunnen komen?

Aan het einde van de apartheid was Eskom nog een betrouwbaar bedrijf dat veel goedkope energie produceerde. Onder de nieuwe ANC-machthebbers ging het snel bergafwaarts.

Cruciaal was hun – later zelf toegegeven – foute beslissing in 1999 om als overheid niet te investeren in capaciteitsuitbreiding. Die was nodig geweest om energie te kunnen blijven leveren voor armoedebestrijding en aan de toen nog fors groeiende economie.

Pas in 2007 werd begonnen met de bouw van twee reusachtige kolencentrales in het noordoosten van Zuid-Afrika. Hoofdzakelijk door onkunde en corruptie draaien deze centrales nog steeds op een zeer laag pitje. Terwijl de bouwkosten astronomisch uit hand liepen is nog eens acht miljard rand (420 miljoen euro) nodig om ze alsnog in orde te krijgen.

Pas tegen 2030 zullen de twee kolencentrales in vol bedrijf zijn, voorspelt een voormalig bedrijfshoofd in dagblad Die Burger. Hij is net benoemd tot toezichthouder op de kernenergiedivisie van Eskom.

Het staatsbedrijf runt één kerncentrale, Koeberg aan de westkust noordelijk van Kaapstad. Die zal nog tot 2044 aan de praat worden gehouden, 20 jaar langer dan voorzien.

Een megalomaan plan voor een door Rusland te bouwen tweede grote kerncentrale verdween als onbetaalbaar uit beeld, tezamen met berichten over Russische steekpenningen aan de toenmalige president Zuma. Onder diens bewind tierde de corruptie zo welig dat de staat werd gekaapt door louche zakenlui.

Geavanceerde kennis over kernenergie die Eskom zelf nog in huis heeft, is te koop gezet. Het berooide bedrijf heeft geen geld meer voor verdere ontwikkeling. Wél heeft de regering nog een vaag plan voor twee kleine kerncentrales.

De energievoorziening van Zuid-Afrika draait in hoofdzaak nog steeds op 13 kolencentrales van vaak gevorderde leeftijd. Zij zijn zwaar overbelast, verwaarloosd in onderhoud, daardoor hoogst onbetrouwbaar en zeer milieuvervuilend.

Aanhoudende stroomuitval houdt investeerders weg uit Zuid-Afrika. Zij steken ook geen cent meer in Eskom dat onder Zuma’s bewind in hoog tempo werd uitgehold door mismanagement en corruptie die alle perken te buiten ging.

Het bedrijf zucht dientengevolge onder een schuldenlast van 450 miljard rand (23 miljard euro). Het heeft veel te veel mensen in dienst maar niettemin weinig deskundigheid in huis om de problemen het hoofd te bieden. Eskom leeft louter voort op staatskredieten die in een bodemloze put verdwijnen.

De situatie oogt inmiddels zo hopeloos dat er ook binnen het hevig verdeelde ANC steun ontstaat voor verandering die de eigen regering al in gang heeft gezet. Tandenknarsend aanvaardde deze eertijdse bevrijdingsbeweging van zwart Zuid-Afrika de blanke topondernemer André de Ruyter tot nieuwe Eskom-baas.

De Ruyter maakte meteen duidelijk dat hij voluit gaat voor groot achterstallig onderhoud aan de kolencentrales om de energievoorziening weer betrouwbaar te maken. Dat betekent nog zeker 18 maanden met regelmaat beurtkrag, waarschuwde De Ruyter, een Zuid-Afrikaan die ooit studeerde aan Nijenrode.

‘Ik ga de regering niet vragen om meer geld voor Eskom dan al was toegezegd en er komen geen gedwongen ontslagen’, zo belooft de topman meteen na zijn aantreden. Met deze laatste toezegging verwerft De Ruyter sympathie bij de vakbonden voor zijn aanpak en voorkomt hij arbeidsonrust en nóg meer maatschappelijk ongerief.

De grootste vakbond, Cosatu, gelieerd aan het ANC, lanceerde zelf het omstreden plan om de schuldenlast van Eskom fors te verlichten met een kapitaalinjectie van 250 miljard rand (bijna 14 miljard euro) uit het staatspensioenfonds. De regering vindt dat ook particuliere pensioenfondsen moeten gaan meebetalen.

Dit uiterst omstreden plan ontmoet veel weerstand maar ook instemming van bekende opinieleiders dit als de enige mogelijkheid zien om de schuld van Eskom weer behapbaar te maken zodat het de lichten in Zuid-Afrika aan kan houden.

Om te voorkomen dat ook pensioengeld verdwijnt in een bodemloze put, moet het bedrijf snel en grondig worden hervormd. Daar is de regering inmiddels mee begonnen. Eskom blijft niet langer de enige nationale energieleverancier. Mijnbouwbedrijven mogen hun eigen energie gaan opwekken. En Eskom krijgt meer vrijheid om duurzame stroom te kopen van particuliere producenten. Dat is goed voor klimaat en milieu en financieel gunstig voor het energiebedrijf dat peperdure kolenstook moet zien te reduceren.

Ook gemeenten die hun zaakjes financieel op orde hebben – dat zijn er in Zuid-Afrika maar weinig – mogen de vrije energiemarkt op. Kaapstad wil dat al lang, maar werd tot dusver tegengewerkt.

President Ramaphosa heeft de koerswijziging in zijn recente staatsrede aangekondigd. Gwede Mantashe, de minister van mijnbouw en energie, moet nu vooral de wurgende bureaucratie in energieland gaan opruimen om de liberalisering op gang te krijgen. Dat wordt een krachtproef voor deze ANC-voorzitter en adept van het staatskapitalisme. Hij heeft dan ook nog een andere pijl op zijn boog: de oprichting van een tweede staatsenergiebedrijf naast Eskom.

De hamvraag blijft of duurzame energie in dit van zon en wind vergeven land kan voorzien in het ernstige stroomtekort. Eskom heeft geen geld om daarin te investeren. Het heil moet van de private sector komen.

De resultaten zijn vooralsnog bescheiden. Met de vijf private wind- en vijf zonneprojecten die in 2014 door het ministerie van energie werden geselecteerd uit een inschrijving, schiet het niet erg op. De vijf zonneprojecten uit deze tender liggen volgens het weekblad Sunday Times nog steeds op het bureau van Mantashe. Wél heeft het Italiaanse energieconcern Enel inmiddels vijf windmolenparken in aanbouw.

Het nationale energieplan waar Mantashe eind 2019 zijn handtekening onder zette, laat zien dat in 2030 zo’n 30 procent van de Zuid-Afrikaanse energiehuishouding duurzaam zal zijn. Nu is dat 10 procent. De voorziene groei bestaat vrijwel uitsluitend uit wind- en zonne-energie.

Volgens dit plan is Zuid-Afrika in 2030 voor minder dan 60 procent afhankelijk van fossiele brandstoffen. Voor zo’n resultaat zou het land zich bepaald niet hoeven te schamen.

Maar om de planning voor duurzame energie te halen, moet het tempo stevig omhoog. Een volgende staatsinschrijving voor nieuwe projecten staat op stapel.

Mogelijk vallen er nu ook barrières weg voor honderden boeren die al jaren in de rij staan om stroom te mogen verkopen aan Eskom en daarmee de financiering van zonnepanelen op hun boerderijen rond te kunnen krijgen.

Dat dit bepaald geen sinecure is, ervoer de druiven- en rozijnenkweker Tokka van den Hever in de droge Noord-Kaap. Hij besproeit zijn gewassen met water uit de Oranjerivier en dat kost hem een vermogen aan energie omdat zijn boerderij het hele jaar door baadt in de zon en al vijf jaar van regen verstoken blijft.

Om de stroomkosten van zijn beregeningsinstallaties te drukken, investeerde hij drie jaar geleden ruim 20 miljoen rand (1 miljoen euro) in een robuust zonnepanelenstelsel. Berekend was dat Van den Hever deze enorme investering binnen zes jaar zou terugverdienen, geholpen door belastingvoordeel.

Maar dat duurt allemaal wat langer door twee jaar gesoebat om zijn energie-overschot aan Eskom te mogen leveren. Nu alles goed werkt en de besparingen realiteit worden, is Van den Hever een tevreden mens, zo verklaart hij in Landbouweekblad.

Dit lijfblad van de Afrikaanse boer getuigt in een begeleidend artikel van een ontwikkeling ten goede voor boeren die de stap naar zonkracht willen zetten.

Eskom gedraagt zich onder leiding van De Ruyter meer en meer als een normale onderneming. Kostenbeheersing staat centraal. De oudste kolencentrales gaan dicht of worden verkocht aan bedrijven die ze met Chinese techniek willen vernieuwen en aan de praat houden. Gepoogd wordt om meer kolen per trein aan te voeren en daarmee de gigantische kosten van wegtransport te drukken. Kolen van ondermaatse kwaliteit die de centrales beschadigen worden geweerd, contracten met dubieuze leveranciers opgezegd.

Al deze maatregelen maken duidelijk hoe diep het energiebedrijf is weggezakt.

Ook draait Eskom de duimschroeven aan van de vele wanbetalers. Vooral bij gemeenten en andere overheidsbedrijven moeten grote bedragen worden binnengehaald. Dat gaat er bepaald niet zachtzinnig aan toe.

Toen het spoorbedrijf Prasa in Kaapstad een ultimatum aan zijn laars lapte, werd tijdens de ochtendspits de stroom uitgeschakeld en kwamen alle treinen in de metropool subiet tot stilstand. Zo’n 300.000 pendelaars moesten verder maar zien hoe zij op hun werk en weer thuis kwamen. Pas nadat Prasa had betaald, ging om half zes ‘s avonds de stroom er weer op.

Een krachtmeting van lange adem voltrekt zich tussen Eskom en Soweto. De bewoners van deze enorme township in Johannesburg weigeren al jaren massaal om te betalen. De opvatting heerst daar dat stroom gratis hoort te zijn. Niets lijkt te helpen. Wie wordt afgesloten, laat zich door een handige buur weer illegaal aansluiten.

Eskom schold Soweto eerder een vermogen aan onbetaalde rekeningen kwijt. Nieuwe baas De Ruyter begint daar niet meer aan. Hij houdt voet bij stuk: er móét betaald worden.

Of De Ruyter het aandurft als dwangmaatregel een heel stadsgebied van 1,3 miljoen mensen af te sluiten, staat te bezien. Uit vrees dat dit veel stemmen gaat kosten verbood de ANC-top dit paardenmiddel al eens. In andere halsstarrige gemeenten ging de stroom er inmiddels wél af en wordt er alsnog betaald.

Door de coronacrisis moet Eskom met dergelijk powerplay nu een pas op de plaats maken. Zuid-Afrika is voor drie weken op slot gegaan. De zwakke economie van het land ligt op apegapen. Daardoor verflauwt ook de vraag naar energie.

Beurtkrag zal tijdens de lockdown niet nodig zijn. Tenzij het virus ook toeslaat onder het personeel van Eskom en versleten centrales onderbezet raken. Dat is een recept voor ongelukken. De poppen zijn zo weer aan het dansen.

Ook een bescheiden mankement kan al grote gevolgen hebben. Zo zorgde één kapotte waterpomp in de Koeberg-kerncentrale laatst nog voor stroomuitval in heel het land. Zoiets zou altijd slecht uitkomen, maar in deze beroerde toestand wel héél slecht.

Terug naar Brabant met het coronavirus op de hielen

De leeuw van Kameroen is dood. Manu Dibango, 86 jaar oud. In Parijs bezweken aan het coronavirus. Droevig einde van een groot muzikant die met Soul Mokassa een wereldhit scoorde.

Jaren geleden heb ik Dibango aan het werk gezien op het jazzfestival van Kaapstad. Indrukwekkende gestalte, geweldige saxofonist die de barstensvolle congreshal met beukende Afrikaanse jazzfunk aan de kook brengt. Een onvergetelijk concert.

Dit jaar is het Kaapstad-jazzfestival voor het eerst in zijn geschiedenis afgeblazen. Het openbare leven in heel Zuid-Afrika ligt drie weken plat om catastrofale uitbreidingen van corona te voorkomen.

Het nieuws over Dibango horen wij in de auto, op weg naar het vliegveld van Kaapstad, in een poging nog net voor de lockdown naar Brabant terug te keren. Het is behoorlijk druk richting de Kaap. Opmerkelijk veel caravans op de weg. Mensen die naar huis terugkeren van hun vervroegde paasvakantie om drie weken ballingschap op de camping te vermijden.

Ook op de luchthaven is het opvallend druk. Van de hygiënische urgentie tegen de besmetting die de Zuid-Afrikaanse regering ons al een paar weken inwrijft, is in de vertrekhal niets te merken. Hier en daar lopen wat reizigers met twijfelachtige mondkapjes. Verder oogt het als altijd. Er zijn geen desinfecterende middelen voorhanden om reizigers te beschermen. Slechts op beeldschermen wordt de coronacrisis aangeduid. Het is armoe troef.

Wachtenden hopen zich in een lange rij op voor de balie van Lufthansa. Anderhalve meter afstand is hier geen optie. Voor ons grijpt een oosterbuur met blote vingers in een zak chips. Likt ze schoon en legt zijn handen weer op de trolley. Aangezien er nauwelijks beweging in de rij zit, wordt dit een veelvuldige herhaling van zetten. Geen wonder dat er zoveel Duitsers ziek zijn!

Reizigers uit allerlei windstreken moeten met deze avondvlucht naar Frankfurt mee. Dat ligt ingewikkeld, omdat Duitsland zijn grenzen voor buitenlanders heeft dichtgegooid.

Weliswaar gaan wij Nederlanders verder naar Amsterdam, maar de autoriteiten hier willen pertinent zeker weten dat wij de luchthaven van Frankfurt niet verlaten. ‘Anders kunt u niet mee, want u mag Duitsland niet in’, verduidelijkt de aardige baliemedewerkster nadat zij onze paspoorten grondig tegen het licht heeft gehouden.

Snel worden wij langs de douane geloodst om nog mee te kunnen met de tjokvolle Airbus, die al had moeten vertrekken. Honderden mensen zitten in dit toestel ruim elf uur op elkaars lip. Onzichtbare infectiebronnen waartegen in ieder geval de stewardessen zich deugdelijk hebben bewapend.

De aansluitende vlucht naar Amsterdam zit nog maar half vol. We verspreiden ons over het toestel. Schiphol is uitgestorven. De borden staan vol met geannuleerde vluchten. Van de weinige toestellen die nog opstijgen, is er zojuist één van KLM vertrokken naar Kaapstad. Benieuwd welke doorbijters en avonturiers daar nog aan boord zitten. Zij reizen van het ene doodse land naar het andere.

Onze afsluitende tocht naar Brabant voltrekt zich in lege treinen. Hier weinig kans op besmetting. Uitgestorven stations volgen elkaar op. Conducteurs zijn in geen velden of wegen te bekennen. Van hen wordt geenszins verwacht op zoek te gaan naar de enkele sterveling die zich nog zonder plaatsbewijs in de lege wagons zou wagen. Afstand houden tot reizigers om zelf niet te worden besmet is thans het parool bij de NS, zo begrijpen wij. Want in deze barre rijden moeten treinen blijven rijden, al zijn het er nog maar weinig.

Wandelend naar huis, wordt de onwerkelijke rust alleen doorbroken bij Action. Het parkeerterrein voor deze goedkoopwinkel staat vol als vanouds. Plukjes mensen verlaten bepakt het pand. Een bizarre gewaarwording.

Alles in hoogst besmet Brabant is erop gericht om contacten tussen mensen tot een minimum te beperken. Berichten van dienstverleners die het werk neerleggen vullen mijn mailbox. Tandartsen, fysiotherapeuten, noem ze maar op. Vrijwel iedereen zit en werkt thuis. Je wordt geacht alleen nog voor de eerste levensbehoeften (levensmiddelen en medicijnen) naar de winkel te gaan.

Er gelden samenscholingsverboden om mensen bij elkaar weg te houden en daarmee besmettingshaarden te isoleren. Restaurants zijn dicht, stranden ontvolkt. Dat de overheid onder deze uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte zou zijn om ook een overbodige winkel als Action te sluiten, doet vreemd aan.

Eenmaal thuis ligt op mijn werktafel nog altijd die prachtige biografie uit 2006 over de Amerikaanse journalistieke legende I. F. ‘Izzy’ Stone, getiteld ‘All governments lie!’ Stone markeerde zichzelf met deze uitspraak als luis in de pels van het politieke establishment. Zijn wekelijkse nieuwsbrief was tot begin jaren zeventig van de vorige eeuw een wereldwijd begrip.

Hoe zou Izzy Stone hebben geoordeeld over het overheidshandelen tijdens de coronacrisis? Om de geest te scherpen duik ik komende thuisblijfweken maar eens in die biografie.

Het klimaat aan de Kaap: hoe de boer vecht tegen de droogte

Eindelijk viel dan de zomerse regen op de verscheurde bodem. In de dorpskerk wordt de Heer hiervoor bedankt tijdens de zondagse eredienst. De droogte heeft Zuid-Afrika al jaren in haar greep. Maar nu is er verlichting en hoop op betere tijden.

Boeren konden weer zaaien, al kwam de regen voor sommigen te laat in het seizoen om nog witte maïs -‘witmielies’, hét volksvoedsel in deze republiek – te planten. Teveel risico dat het opgroeiende gewas gaat rotten door vroege vorst aan de grond, lezen wij in het Afrikaanstalige Landbouweekblad, al 100 jaar lijfblad van de blanke boerenstand.

Zo is er altijd wat te klagen. Een boer die niet klaagt is geen boer. Maar zeker de nazaten van de Nederlandstalige pioniers die zich in de negentiende eeuw als Voortrekkers in Zuid-Afrika vestigden, hebben recht van spreken.

Ten tijde van de apartheid was de boerenmacht onaantastbaar en fabelachtig productief. Maar sinds de blanke machtsoverdracht aan het ANC een kwart eeuw geleden gaat het bergafwaarts. Voorbij lijkt de tijd dat Zuid-Afrika louter witmielies in overvloed produceerde om de magen van vele armen met goedkope maïspap te kunnen vullen.

Schrijnend watergebrek treft zo’n beetje alle Zuidafrikaanse boeren. Epicentrum van de droogte is de Noord-Kaap, de verreweg grootste provincie van Zuid-Afrika (negen keer Nederland), die reikt tot de buurlanden Namibië en Botswana. Deze dunbevolkte streek is thans zo uitgemergeld dat het van regeringswege te lange leste tot rampgebied werd uitgeroepen.

,,Je eet, slaapt, ziet, drinkt en leeft droogte”, omschrijft de vrouw van een Noordkaapse boerenleider de stress in dagblad Die Burger. Op een begeleidende foto loopt haar echtgenoot over de verschroeide grond naar hun overgebleven schapen. De magere beesten leven nog mede dankzij voer dat wordt geschonken door collegaboeren van elders die er beter voorstaan. Ook kerken bieden hulp met inzamelingsacties. Solidariteit wordt hier te velde nog met Hoofdletters geschreven.

‘Volgend jaar is voor mij het einde in zicht’, hield deze boerenvoorman, Willem Symington, begin dit jaar de minister van Landbouw persoonlijk voor. Die stond even met zijn mond vol tanden.

Want het einde betekent voor boer Symington, nog heel wat meer dan een faillissement. ‘Ik ben een 55-jarige blanke man. Ik kan nergens heen’, zegt hij tegen Die Burger. Tijdens de laatste grote droogte die de Noord-Kaap een eeuw geleden trof, verhuisden veel boeren naar de steden waar zij bij de spoorwegen of in de mijnen gingen werken. Maar zo’n alternatief is er niet meer voor de blanke minderheid te midden van de massawerkloosheid die al heerst onder de zwarte meerderheid.

‘Wij hebben hier alleen de landbouw’, zegt Symington. Naast mijnbouw, draait de economie in de Noord-Kaap inderdaad op de boeren. Vallen zij weg, dan verliezen ook hun arbeiders huis en haard en raken hele dorpen in verval. Deze aftakeling is zichtbaar gaande.

Dus móét Symington als boer zien te overleven totdat zijn land na zeven droge jaren eindelijk weer water krijgt. ‘De regen gaat zeker komen’, praat hij zichzelf moed in. En dat helpt, want in de Noord-Kaap regent het eindelijk weer. En stevig ook, bij tijd en wijle.

De regering heeft inmiddels 300 miljoen rand (19 miljoen euro) aan nationale noodhulp voor de Noord-Kaap toegezegd. Maar dat geld is alleen bestemd voor nieuwe boringen naar grondwater. Dat moet steeds dieper worden gehaald en is vaak brak en daarmee slecht bruikbaar.

‘Wij hebben voer nodig om onze dieren en daarmee ons bedrijf in leven te houden”, klinkt het alom uit de Noord-Kaap. Maar aan dat soort hulp denkt de ANC-regering niet.

Die is vooral druk doende met een wijziging van de Grondwet die nu nog het recht op privaat eigendom beschermt. De regering wil voortaan zelf gaan bepalen tegen welke prijs vooral grond wordt onteigenend. Die prijs wordt nu nog vastgesteld door de rechter, maar deze rechtsgang is de hardliners in het ANC te stroperig. Veel te weinig landbouwgrond komt daardoor volgens hen terecht in staatshanden.

Grondhervorming is van meet af aan een ideologisch ANC-speerpunt om de blanke economische overheersing uit te wissen. In praktijk betekent dit overigens bitter weinig. De overdracht van al onteigende boerderijen aan zwarte boeren stagneert ernstig en veel landbouwgrond raakt daardoor in onbruik, zo heeft de regering zelf aan het parlement gemeld.

Nu de droogte veel boeren in problemen brengt en de agrarische productie slinkt, is grondhervorming in Zuid-Afrika vooral symboolpolitiek die nota bene door president Cyril Ramaphosa nieuw leven wordt ingeblazen.

De opvolger van de corrupte Jacob Zuma die in 2019 werd weggestuurd, startte een charmeoffensief om de kwakkelende economie met buitenlands kapitaal op te krikken.

Investeerders blijven echter weg nu de elektriciteit in het land door wanbeheer van het staatsbedrijf Eskom regelmatig uitvalt. Zij zullen nóg verder worden afgeschrikt als ook het eigendomsrecht op losse schroeven komt te staan.

Het parlementaire spel hierover komt op de wagen, voorafgegaan door publieke hoorzittingen waar voor- en tegenstanders de degens kruizen. Een bitter en langdurig gevecht ligt in het verschiet en zal de reputatie van Zuid-Afrika verder bezoedelen.

Nieuwe misère heeft zich intussen aangediend. De boerencrisis tast de kredietwaardigheid van de Landbank aan. Deze Zuidafrikaanse boerenleenbank – staatseigendom – vormt al sinds 1905 het fundament voor de agrarische ontwikkeling. Maar omdat steeds meer boeren het loodje leggen en hun leningen niet meer afbetalen moet de Landbank zelf hogere rente gaan betalen om nog kapitaal te kunnen aantrekken. Die wordt dan weer doorberekend aan de clientèle die het daardoor nóg moeilijker krijgt.

Deze neerwaartse spiraal leidt tot groeiend onbehagen binnen de boerengemeenschap over de toekomst van de Landbank die ook al wordt geplaagd door wanbestuur vanuit de overheid.

In de Noord-Kaap wordt het gevecht tegen de droogte ondertussen gevoerd met veel inventiviteit en daadkracht. Diep in de Kalahari, het uiterste noordoosten van de Noord-Kaap, werken boeren en overheid samen aan verlenging van een 1475 kilometer lange pijpleiding die water uit twee ondergrondse meren in mijnbouwgebied aanvoert.

Een levensader voor veel boeren en burgers in dit woestijngebied waar droogte een gegeven is.

Deze pijpleiding is het levenswerk van vader en zoon Loots, zo valt te lezen in Landbouweekblad. Paul junior is verantwoordelijk voor het onderhoud. Maandelijks rijdt hij met zijn ‘bakkie’ 6000 tot 8000 kilometer door het zand om problemen in de watervoorziening digitaal op te sporen en te verhelpen. Hightech in de woestijn.

De impact van de droogte kent in Zuid-Afrika vele gezichten. De ene dag lezen wij dat in de Vrijstaat de maïs door de goede regen al op heuphoogte staat en schapen schuil gaan in het groeiende gras. Een dag later staat in de krant dat dezelfde provincie 900 miljoen rand (57 miljoen euro) droogtehulp krijgt. Ook nog eens aanzienlijk meer dan gevraagd! Het gevecht om de verdeling van dit geld begon meteen. Boeren vrezen al weer aan ‘de laaste speen te suig’.

De regering heeft te lange leste de droogte tot nationale ramp verklaard. Dat lijkt heel wat, maar onduidelijk is wat dit toevoegt aan de beperkte hulp die de allerdroogste gebieden al ontvangen. Want de staatskas is leeg.

De minister van water, Lindiwe Sisulu – dochter van ANC-grootheid wijlen Walter Sisulu – heeft nu 26 Cubaanse ingenieurs gecharterd voor hulp bij de bestrijding van de droogte. Cuba wordt vaker te hulp geroepen sinds Fidel Castro het ANC steunde in zijn strijd tegen de apartheid.

In boerenkringen vraagt men zich in alle scepsis af wat de Cubanen komen doen. Goede Zuid-Afrikaanse ingenieurs zijn voorhanden, maar werden aan de kant geschoven.

Het lijkt een desperate poging van Sisulu om er nog iets van te maken op een departement dat door 30 jaar corruptie en wanbeheer op apegapen ligt. In Zuid-Afrika hebben nog steeds 21 miljoen mensen – een derde van de bevolking – geen schoon water.

De minister reisde laatst af naar een uitgedroogd dorp in de Oost-Kaap waar de bevolking in opstand kwam. Zij zegde toe snel watertanks te zullen leveren, maar dat gebeurde niet. Slechte reclame voor het ANC, met de gemeenteraadsverkiezingen van 2021 in het vooruitzicht.

Het watergebrek is te meer schrijnend nu handen wassen er bij het volk wordt ingehamerd als het belangrijkste wapen tegen de verspreiding van het Corona-virus. Zonder water (en zeep) in doorgaans zwakke sanitaire omstandigheden, lopen miljoenen Zuid-Afrikanen besmettingsgevaar.

Los van deze droefenis, koersen de boeren in de Vrijstaat, de maïsschuur van Zuid-Afrika, aan op een recordoogst. Beelden tonen velden vol maïs, waar je ook kijkt.

En in de Kaapse wijnlanden lonkt een prachtige druivenoogst. De droogtedip van 2019 in het eminente bestaan van de Kaapse wijnmakers , is alweer vergeten.

Zo wisselen droogteleed en watervreugde elkaar in onvergelijkbare mate af in het grillige Zuid-Afrikaanse klimaat.

Het klimaat aan de Kaap: de dag dat het water niet op was

‘Laten we water besparen, niet alleen vandaag maar altijd’.

Deze verstandige oproep motiveert de toiletgebruiker in het winkelcentrum Waterfront aan de haven van Kaapstad tot spaarzaamheid. Het goede voorbeeld wordt ook aangereikt. Hier spoel je geen drinkwater door het toilet maar grijs of gerecycled water.

Het is een schaars overblijfsel van de waterbesparingsmanie die twee jaar eerder heerste. In de zomer van 2018 was de moederstad van Zuid-Afrika in de ban van Day Zero: de dag dat er geen water meer uit de kraan zou komen. Het peil in de 14 stuwmeren die Kaapstad van drinkwater moeten voorzien, was zo dramatisch laag dat het stadsbestuur de noodtoestand afkondigde.

De Kapenaars werden op een rantsoen van 50 liter kraanwater per dag gezet. Wie meer nodig had – 50 liter is zwaar afzien voor de gegoede burger met navenante waterbehoefte – moest zich begeven naar een centraal punt waar bronwater van de Tafelberg kan worden getapt. Dat bevindt zich in de welgestelde wijk Nieuwland, alom bekend van de legendarische rugby- en cricketstadions.

Aldaar heerste toen een permanente verkeerschaos omdat gemotoriseerde Kapenaars massaal oprukten naar de waterbron om hun jerrycans te vullen.

Zo’n beeld van rijen wachtenden bij een watertappunt zie je doorgaans louter in de townships en informele nederzettingen op de Kaapse vlakte, ver weg van de Tafelberg. Rijk en arm verkeerden in hun eerste levensbehoefte ineens op voet van gelijkheid.

Dat is inmiddels verleden tijd. Het doemscenario kwam niet uit. Dag Nul brak niet aan, omdat het waterverbruik daalde en het uiteindelijk in de Kaap weer regende. Eerst mondjesmaat, maar in de winter van 2019 als vanouds overvloedig, zodat de waterreservoirs zich na jaren weer vulden.

Daarmee vervlakte de urgentie van waterbesparing. In restaurants en café’s stromen de kranen en spoelen de toiletten weer als vanouds. En het voor Kaapstad o zo vitale maar ingezakte toerisme bloeide weer op sinds de watercrisis uit de internationale media is verdwenen. Het Corona-virus haalt daar nu een dikke streep door. Het toerisme ligt volledig op zijn gat. Dat spaart water.

De droogte blijft niettemin manifest. Tijdens de laatste hittegolf, met temperaturen van 30 tot 40 graden, was het zakkende waterpeil van de reservoirs in de Kaapse metropool weer in het nieuws. Het grootste waterreservoir, de Theewaterskloofdam is echter nog voor meer dan de helft gevuld. Vorig jaar om deze tijd was dat nog geen 40%. Met de winter in het vizier, maken de Kapenaars zich over een watertekort geen zorgen. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd.

Langs de westkust, drie uur noordelijk van Kaapstad, liggen de kaarten anders. Het waterpeil in de grote dam bij het gortdroge dorp Clanwilliam, een belangrijk reservoir voor de regionale citrusteelt, verdampte in fors tempo naar 25 procent. In de verschroeiende hitte regent het daar al maanden niet of nauwelijks.

Een groots project om de Clanwilliamdam fors op te hogen kwam enkele jaren wegens geldgebrek tot stilstand, maar is nog niet van de baan. Want de roep om water is groot om meer landbouwgrond te kunnen bevloeien en daarmee meer boeren bestaansrecht te geven.

Of het wel hard genoeg zal regenen om dat reusachtige reservoir straks vol te krijgen, is geen punt van discussie in de drang naar economische ontwikkeling. Meer zorgen baart de langdurige staat van verval waarin het ministerie van water verkeert. Terugkerende berichten over hardnekkige corruptie en wanbestuur op het departement, zijn ook voor het Clanwilliamproject geen goed teken.

In het zuidelijk deel van de provincie West-Kaap is de droogte half januari ook manifest. Aan weerszijden van de N2, de hoofdverkeersader tussen de havensteden Kaapstad en Port Elizabeth, kleurt het uitgemergelde landschap rood, zo ver het oog reikt.

‘Wink Dag Zero’?, kopt het Afrikaanstalige weekblad Forum. Dat verschijnt in de gemeente Hessequa, 280 kilometer ten oosten van Kaapstad. En met reden. Twee waterbekkens in deze gemeente raken onder de verschroeiende zon in hoog tempo leeg. Als dit zo zou doorgaan komt er in sommige dorpen volgens de krant over een maand geen druppel meer uit de kraan.

De autoriteiten kondigen dan ook verdere waterbesparingen aan: voor boeren die 40 procent minder rivierwater mogen aftappen, en ook voor burgers. En die waren al verscherpt naar een limiet van 150 liter per persoon per dag. Bovendien mag de tuin nog maar één keer per week twee uur lang worden besproeid. De auto moet je met een emmertje water wassen.

‘Toch lijkt het erop dat inwoners in onze streek zich niet storen aan de beperkingen’, constateert Forum. Het blad illustreert dit met een foto van de meest ergerniswekkende waterverspilling: een auto die nog steeds met de tuinslang wordt afgespoten.

Maar toen kwam er hulp van boven.

Een koufront zorgt een dag of drie voor motregens die lekker wegzakken in de gortdroge kleigrond. Later gevolgd door onstuimige buien, voortgestuwd door de aanzwellende zuidooster. Normaal gesproken een wind die in de Kaapprovincie borg staat voor stabiel zomerweer. Maar ditmaal niet. Een week lang regen is eveneens abnormaal voor de zomer. Het klimaat lijkt op hol geslagen. Het weer wordt meer en meer onvoorspelbaar.

Zware buien trekken de laatste weken over grote delen van Zuid-Afrika. De droogte verdwijnt naar de achtergrond. Dag Nul blijft ook in Hessequa buiten beeld. ‘s Lands weerdienst blikt optimistisch vooruit: komende herfst en winter gaat het flink regenen.

Corona aan de Kaap: het ergste moet nog komen

Terwijl Coronapatiënten de Brabantse ziekenhuizen overspoelen, krijgt het virus ook Zuid-Afrika steeds meer in zijn greep.

Hier in de West-Kaap zijn de scholen dicht, is het rijke culturele leven in het hart van het festivalseizoen volledig tot stilstand gekomen, zijn alle sportcompetities stilgelegd, bijeenkomsten massaal afgelast, openbare gebouwen gesloten, winkels en restaurants uitgestorven. De president heeft Zuid-Afrika tot rampgebied verklaard. Tienduizend kilometer zuidwaarts komt Brabant ineens dichtbij.

Buitenlanders worden steeds hardhandiger geweerd en vakantiereizen naar het buitenland zijn opgedroogd. Corona kwam ook in Zuid-Afrika van buiten. Wie nu het land verlaat, krijgt het verdraaid lastig om er weer in te komen.

Cruiseschepen mogen niet meer onze havens in, bulderde de minister van transport deze week in de microfoons van de publieke omroep SABC. Een schip dat desondanks nog het ruime sop koos richting Mozambique moest op ministerieel bevel bij terugkeer in de haven van Durban worden tegengehouden.

De 2400 passagiers, hoofdzakelijk Zuid-Afrikanen, zouden in quarantaine worden geplaatst. Dat ging vervolgens toch niet door omdat het schip slechts op zee had rondgedobberd en niemand ziek werd. Mozambique beliefde deze gasten niet aan land. Veel onvrede en spanningen aan boord. Weggegooid geld, zo’n cruise. En bovendien schadelijk voor het milieu.

Het gaat in Zuid-Afrika inmiddels alleen nog over Corona. In niets te vergelijken met de pronte sigaar die ik in een ver verleden graag opstak. Al is die ook slecht voor je longen.

De aantallen besmettingen zijn hier aan de Kaap nog een fractie van die in Brabant. En het is vooral te hopen dat het virus door alle opgelegde beperkingen en voorzorgsmaatregelen kan worden ingedamd. Want als Corona de grote townships en informele nederzettingen op de Kaapse vlakte bij Kaapstad binnendringt, zal het leed niet te overzien zijn.

De vele zwakkeren in deze overbevolkte wijken, waar tbc en hiv welig tieren, worden dan ziek bij bosjes. De gezondheidszorg – in de West-Kaap bepaald niet slecht – kan zo’n toeloop allerminst verwerken. Veel levens gaan dan verloren. Italiaanse misère in veelvoud.

Nog maar drie weken geleden maakte Zuid-Afrika zich vooral druk over de repatriëring van ruim honderd landgenoten uit het Chinese Wuhan, waar het allemaal begon met Corona. De Chinezen die tegenwerkten, piloten die weigerden te vliegen, hotels die deze virusvrij geteste expats niet in quarantaine wilden nemen.

Inmiddels hebben de overgevlogen expats hun 21 dagen ‘opsluiting’ in een luxe vakantie-oord in noordelijk Zuid-Afrika al goeddeels achter de rug. Op kosten van de belastingbetaler, terwijl het virus daarbuiten oprukt. Ondoordachte geldverspilling.

‘Zijn we er werkelijk klaar voor?’, uit een bekende columnist van de Sunday Times op 1 maart zijn twijfels over geruststellende berichten uit het regeringskamp. Want er gaat heel veel mis bij de overheid in dit land.

Die zondag is het virus nog niet aangeland. ‘Dit is slechts een kwestie van tijd’, voorspelt de Cape Times, de krant van Kaapstad, twee dagen later. President Ramaphosa schudt dan nog breed lachend de ene na de andere hand.

En de media lopen zich warm voor twee monumentale evenementen in de metropool van Kaapstad: de eendaagse fietsronde over het schiereiland met 31.000 deelnemers uit binnen- en buitenland en het culturele festival ‘Woordfees’ in de puissant rijke universiteitsstad Stellenbosch waar het Afrikaans een volle week victorie kraait.

Dan worden de eerste drie Corona-gevallen gemeld. ‘De Zuid-Afrikanen hebben niets te vrezen. Er is geen rede voor paniek. We hebben alles onder controle. Nies of hoest in een zakdoek en was je handen’, spreekt de minister van gezondheid zondag 8 maart tot verontruste inwoners van Pietermaritzburg.

Een dag later, op 10 maart, breekt zwarte maandag aan: de olieprijzen en de aandelenbeurzen storten tegelijk in elkaar. De Coronapsychose treft de wereldeconomie en het al verzwakte Zuid-Afrika voelt dat het zwaar de klos zal zijn.

De president schudt meteen geen handen meer, maar demonstreert de ellebooggroet. En komt met scherpe maatregelen die het leven gaan beheersen. Het parlement staat als één man en vrouw achter hem, een unicum in dit land vol bittere tegenstellingen.

‘s Morgens in alle vroegte hoor je op de radio verkeersberichten over de vele taxi’s en bussen die stuk voor stuk worden ontsmet om uitbraken onder forenzen te voorkomen. Wie werk heeft, gaat op pad. Anders volgt direct de vrije val naar armoede waar zoveel werkloze (zwarte) Zuid-Afrikanen in leven.

Mijn westerse gedachten gaan terug naar de Aziatische griep die ik als klein jongetje onder de leden kreeg en waar wereldwijd 1,1 miljoen mensen aan bezweken. En naar de oliecrisis van 1973 met haar autoloze zondagen. Fietsen en voetballen op de snelweg. Wat hebben we ervan genoten!

Onze Afrikaanse vrienden herinneren zich van die oliecrisis vooral dat ze er tergend lang over deden om per auto Kaapstad te bereiken. Met slechts enkele tankstations open en een snelheidslimiet van 80 kilometer, afgekondigd door de regering om brandstof te besparen.

Dezer dagen zien we hier aan de Kaap minder verkeer op wegen en in straten. Het openbare leven zakt in elkaar. Dat de benzine komende maanden behoorlijk goedkoper wordt, is een lichtpuntje in dit uitgestrekte land waar heel veel autokilometers over asfalt en veel grondpaden de samenleving aan de praat moeten houden.

Schrijnend is de grondige uitroeiing van het eens zo florerende treinenstelsel als betaalbaar vervoermiddel voor het volk. In de steden zijn de overgebleven treinen nu ook van het spoor verdwenen. En daarmee ook onbeheersbare infectiehaarden, een gelegenheidswinst.

Na twee weken Corona is de schade beperkt: meer dan 200 zieken, geen doden. Het ergste moet echter nog komen, rekenen deskundigen ons op de radio voor. Je hoopt vooral dat ze ongelijk krijgen en Afrika nu eens gespaard blijft.

Regelterreur treft ook natuurbescherming

De regelzucht die de gezondheidszorg en het onderwijs terroriseert, blijkt ook in de natuurbescherming meedogenloos te hebben toegeslagen.

‘Elk jaar komen er tientallen regels bij. Je kunt geen poot meer verzetten. Boeren en natuurbeschermers worden steeds meer aan banden gelegd. Het gaat niet meer om het doel maar om het goed naleven van de regels. Omdat we van subsidies afhankelijk zijn, moet je er wel in meegaan.’

Dit verzucht de bekende bioloog Henk Moller Pillot in het wintermagazine van Brabants Landschap.

De 83-jarige Tilburger is een legendarische figuur in de Brabantse natuurbeschermingswereld en wordt ook ver daarbuiten gerespecteerd als groot deskundige van de waternatuur.

Veertig jaar lang deed Moller Pillot zes keer per maand zijn ronde door het Tilburgse Leijpark en telde de vogels die hij daar tegenkwam. Hij verwerkte en analyseerde het verzamelde materiaal en beschreef zijn ervaringen in het lezenswaardige boek ‘De vogels van het Leijpark’ dat in 2015 verscheen.

Zijn inzet voor de stadsnatuur werd twee maanden geleden beloond met de Tilburg Trofee, tijdens de herdenking van 80 jaar Leijpark. Dit eerbetoon weerhoudt de laureaat echter niet van kritiek op de gemeentelijke regelzucht. ‘Tilburg heeft twee ecologen in dienst, vanwie er één alleen maar kijkt hoe de regels zijn. Wat moet je als gemeente doen om niet tegen de regels in te handelen? Dat is heel demotiverend voor natuurbeschermers’, spuit hij in het magazine zijn ergernis tegenover interviewer Thijs Caspers.

Het artikel handelt vooral over de ervaringen van Moller Pillot als lid van het eerste uur van een deskundigencommissie die Brabants Landschap sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw adviseert over het beheer van natuurgebieden.

Dat waren tijden waarin de bemoeienis van de overheid met deze tak van sport nog in openbaarheid viel te volgen. De natuurgronden die Brabants Landschap met overheidsgeld wilde kopen moesten tot in de jaren negentig door Provinciale Staten worden goedgekeurd. Ambtenaren verschenen ter vergadering om uitleg te geven.

Een en ander ontaarde soms in verhitte politieke discussies over de noodzaak van dergelijke aankopen die bij het toen nog machtige CDA en de VVD lang niet altijd goed vielen.

Onder bestuurlijke druk, gaven de Staten later hun beslissingsbevoegdheid over natuuraankopen uit handen aan Gedeputeerde Staten (GS), het dagelijks bestuur van de provincie. GS-besluiten hierover werden nog wel openbaar gemaakt, maar de politieke controle op natuuraankopen verwaterde.

Inmiddels laat de provincie de financiering en uitgifte van gronden voor natuurontwikkeling volledig over aan het Groen Ontwikkelfonds Brabant. Deze verzelfstandigde overheidsdienst heeft hiervoor nog een half miljard euro in kas en beschikt over een eigen bureaucratie om dat geld te spenderen en dus ook om te controleren of de verstrekte pecunia wel volgens de regels worden besteed.

Die regels liggen vast in het Natuurbeheerplan voor Brabant waarmee het provinciebestuur de natuurdoelen per kavel of gebied bepaalt. Zoals daar zijn: vochtig hooiland, kruiden- en faunarijk grasland, droge heide en vochtige heide. De provincie en het Groen Ontwikkelfonds tonen op hun sites een topografische kaart van het Brabantse natuurnetwerk waarop dit alles tot op detailniveau is te zien.

Natuurorganisaties als Brabants Landschap moeten de voorgeschreven natuurdoelen vastleggen in voorgeschreven beheerplannen, die van overheidswege worden gecontroleerd en beoordeeld. Elke grondaankoop die zij vervolgens willen doen wordt door een geheimzinnige commissie van deskundigen van het Groenfonds tot in detail beoordeeld.

Hier ontwikkelt zich – binnenskamers en oncontroleerbaar – de regelzucht waar Henk Moller Pillot zijn buik vol van heeft. En hij is bepaald niet de enige in de natuurbeschermingswereld.

Nieuwste bureaucratische topattractie is de zogeheten impactmeting. Uiteraard is hiervoor weer een commissie in het leven geroepen. Die bekijkt of de natuurorganisatie voldoende betekenis aan het beheer weet te geven. Voor de natuur en voor het publiek. Daar worden rapportcijfers voor gegeven. Bij te veel onvoldoendes, zwaait er ongetwijfeld wat.

Ergens in overheidsland wordt al deze regelzucht opgetuigd. Waar en door wie, valt met zeer grote moeite misschien nog te achterhalen. Maar op voorhand is al vast stellen dat dit bedenksels zijn van ongrijpbare bureaucraten die ver af staan van de werkelijkheid.

En de Brabantse natuur? Die heeft ondertussen vooral last van verdroging. Nóg een droge zomer en vooral op de hogere zandgronden gaan zware klappen vallen. Daar staat het grondwater nog steeds verontrustend laag, ook al omdat er permanent te veel water wordt onttrokken. De winterregens van nu vullen dat tekort niet aan.

Eén ding is zeker: de ecobureaucratie gaat dit probleem niet oplossen.

Brabants bos en landschap ontberen nieuw perspectief

De ambities buitelen over elkaar heen. Twee miljard bomen erbij in Europa, proclameert de Europese Commissie in haar klimaatbeleid voor de komende 30 jaar. Het Nederlandse kabinet kondigt klimaatbossen aan in zijn maatregelen tegen de stikstofcrisis.

Staatsbosbeheer en Shell willen Nederland in 12 jaar verrijken met vijf miljoen bomen, op kosten van de oliemaatschappij. GroenLinks en SP in de Tweede Kamer hebben een nationaal plan voor 17 miljoen bomen in 20 jaar: een boom per inwoner.

De Partij voor de Dieren in Provinciale Staten wil voor iedere Brabander een boom planten. Het provinciebestuur zet in op aanleg van 13.000 hectare bos tot 2030. Te beginnen met 2500 hectare, zo staat in het Brabantse bestuursakkoord ‘Kiezen voor kwaliteit’ van vorig jaar.

Dergelijke ambities volgens de wet van de grote getallen moeten de indruk wekken dat de opwarming van de aarde op dit continent wel degelijk serieus bestreden gaat worden. Met al dat extra bos moet de alsmaar toenemende uitstoot van het broeikasgas CO2 substantieel worden afgevangen. Nieuwe en vitale bossen zijn ook belangrijk om de luchtkwaliteit te verbeteren en daarmee de volksgezondheid te dienen.

Dat er in Nederland bos bijkomt is vooralsnog een utopie. Want er verdwijnen gestaag meer bomen dan er worden aangeplant. Het areaal Brabants bos – 75.000 hectare – kromp de afgelopen 30 jaar met 400 hectare, zo blijkt uit cijfers van Wageningen Universiteit . En dat terwijl er in deze provincie 11.000 hectare nieuwe natuur bijkwam, door omvorming van landbouwgrond. Deze ‘andere natuur’ omvat inmiddels 46.000 hectare. Hoe is zulke scheefgroei mogelijk?

Nationaal becijferden onderzoekers van de Wageningen Universiteit in het vakblad NBL (Natuur Bos Landschap) van september 2017 dat onder meer bos is gekapt voor andere natuur (zoals heide en zandverstuivingen), voor vervanging en verjonging van bos, bebouwing en wegen. Deze cijfers zijn echter niet uitgesplitst per provincie.

Een inkijkje in Brabant, biedt wél het recente rapport ‘Zorg voor landschap’ van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) . Dat keek naar 35 jaar ruimtelijke ontwikkeling in Het Groene Woud, het groene hart tussen Eindhoven, Tilburg en Den Bosch. Vergelijking tussen de topografische kaarten uit 1972 en 2017 laat vooral de verschraling zien van het landschap dat buiten het wél beschermde natuurnetwerk valt.

Dat werd geofferd aan bebouwing langs de randen van steden en wegen. Én viel ten prooi aan schaalvergroting. ‘Sloten zijn gedempt, beken rechtgetrokken, kavels samengevoegd, houtsingels gekapt of zo verwaarloosd dat ze geleidelijk verdwenen.’ Het PBL laat de oorzaak hiervan onvermeld, maar dit zijn onmiskenbaar de gevolgen van twee ruilverkavelingen die hun sporen trokken door het cultuurlandschap van Het Groene Woud.

Sluipende sloop van groen is ook binnen dorpen en steden sinds jaar en dag gaande. Zo valt ten gevolge van de ontkerkelijking de ene na de andere monumentale pastorietuin ten prooi aan projectontwikkelaars. Met de verkoop van historisch dorpsgroen als bouwgrond compenseren kerkbesturen hun slinkende inkomsten.

Dadelijk maakt de pastorietuin aan de Veldstraat in Liempde plaats voor 11 woningen. Deze groene oase in het dorpshart verdwijnt terwijl Liempde er tegelijkertijd ook een grote nieuwbouwwijk bij krijgt.

Op veel meer plaatsen in verstedelijkt gebied verdwijnen bomen omdat ‘ze in de weg staan’ of ‘overlast veroorzaken’.

Zoals in Den Bosch waar buurtbewoners, inmiddels met steun van de gemeenteraad, strijden voor het behoud van 34 majestueuze platanen in de spoorzone. ProRail wil deze groene longen van de Boschveldweg slopen voor reconstructiewerk. De bomen zijn te behouden, maar dat maakt het werk duurder. Deze strijd is nog onbeslist.

Ook over bomenkap binnen natuurgebieden ontstaat steeds meer maatschappelijk rumoer. Met name als bos wordt geofferd voor andere natuur, waarbij beheerders ook nog eens zijn vrijgesteld van herplant. Provinciale Staten willen inmiddels een rem zetten op het kappen van bomen ten faveure van schraalgronden als heide en zandverstuivingen.

Ook vindt de Brabantse politiek het hoog tijd dat de provincie bij illegale boskap eisen gaat stellen aan de kwaliteit van bomen die moeten worden herplant. Tot dusver kunnen wetsovertreders doorgaans ongestraft hun eigen gang blijven gaan. Dat betekent natuurverlies in het kwadraat.

Onder druk van de publieke opinie, deed Natuurmonumenten afgelopen zomer in een uitgebreide verklaring de belofte zich sterk te maken voor bosuitbreiding en zelf ook minder bomen te gaan kappen. Mochten er toch bomen moeten wijken voor herstel van open landschappen om daarmee bedreigde planten en dieren te kunnen behouden, dan gebeurt dat ‘in de toekomst alleen nog als iedere gekapte boom wordt gecompenseerd’.

Dergelijk herstelwerk voert Natuurmonumenten momenteel uit in de Kampina. Daar worden randen van drie vennen ontdaan van geboomte dat water wegzuigt en daarmee bijdraagt aan verdroging van deze vennen. Ook worden een zandverstuiving en stuifzandheide weer open gemaakt. Deze habitats in de Kampina genieten Europese bescherming, maar raken steeds sneller overgroeid onder invloed van de overmaat aan stikstof die als een deken over Brabant hangt.

Bij elkaar verdwijnt er in dit natuurreservaat bij Boxtel deze maanden zo’n 21 hectare ongewenste begroeiing zoals grove dennen, gewone berken en zomereiken. In doorsnee variërend van vijf tot 60 centimeter, zo meldde Natuurmonumenten begin 2019 aan de provincie die hier verder geen toezicht op houdt.

De vraag rijst of volwassen bomen die in deze hersteloperatie tegen de vlakte gaan, niet meteen zouden moeten worden gecompenseerd. Dat geldt met name voor naaldbomen. ,,Die filteren twee keer zoveel fijnstof uit de lucht als loofbomen, gebruiken weinig water en kunnen als geen andere boom op droge arme zandgronden staan”, oordeelt een groep van belangenorganisaties die strijdt voor behoud van bossen en bomen.

Zij riepen de provinciale politiek het afgelopen voorjaar op zich te keren tegen de heersende ‘discriminatie van naaldbomen’. ,,Het gemak waarmee deze bomen worden gekapt ten gunste van heide of zand moet stoppen.”

De heersende opvatting in provinciale natuurbeschermingskringen is evenwel dat de Brabantse bossen te zeer worden gedomineerd door dennen, eiken en beuken die samen de bodem verzuren en de natuur verarmen.

Geleidelijke omvorming en bosuitbreiding zijn hard nodig door aanplant van een grote variëteit aan soorten loofbomen die het bodemleven verrijken en ook bestand zijn tegen droogte, zo schetsten Bart Nyssen van de Bosgroep Zuid en provincie-ecoloog Wiel Poelmans begin 2019 in het al genoemde vakblad NBL. Geschikt daarvoor noemen zij de linde, esdoorn, haagbeuk, hazelaar, tamme kastanje en wintereik.

Dergelijke gemengde bossen zijn ‘klimaatslim’ omdat ze meer koolstofdioxide (het broeikasgas CO2) uit de atmosfeer halen en koolstof in de bodem vasthouden. Ook worden ze minder kwetsbaar voor ziekten en plagen die momenteel vooral essen en fijnsparren treffen.

Brabants Landschap zet deze maanden de zaag in fijnsparrenbossen waar na twee droge zomers de letterzetter danig heeft huisgehouden, zo meldt het op zijn site. Zij worden vervangen door andere soorten loofbomen, én grove dennen waar vogels als ransuil en goudhaantje zich thuisvoelen. Maar er blijven ook dode fijnsparren staan, als bron van voedsel voor de zwarte specht.

De gemeente Sint-Michielsgestel houdt in haar bossen rigoureuze opruiming onder essen die zijn opgevreten door het vals essenvlieskelkje. Ook daar komen allerlei andere loofsoorten voor terug.

Deze filosofie van de diversiteit lijkt ook door te klinken in het nieuwe bosbeleid dat de provincie in de grondverf heeft staan. Na het nodige overleg met het maatschappelijk middenveld krijgt dit beleid nu voorzichtig gestalte in het kersverse besluit van Gedeputeerde Staten om binnen het Brabantse natuurnetwerk meer ruimte te scheppen voor bos.

Gezocht wordt naar geschikte plekken in vooral de Brabantse beekdalen, maar ook in cultuurlandschappen als De Scheeken en De Mortelen tussen Boxtel, Best en Oirschot die tot het domein van Brabants Landschap horen.

Hoe dat al in zijn werk gaat, zet deze natuurbeheerder uiteen in zijn recente winternummer. In De Mortelen wordt vooral gemikt op aanwas van zeldzaam geworden bomen en struiken die daar van oudsher thuishoren, zoals fladderiep, winterlinde, mispel en viltroos. Zaad van oude overgebleven soorten wordt al jaren met succes opgekweekt en uitgeplant op openvallende plekken in het bos. Vooral populieren moeten hiervoor wijken.

Tot bosverdichting komt het niet in De Scheeken. Om dit ontginningslandschap vooral open te houden, plant Brabants Landschap alleen in de randen populieren(!) bij. Hierdoor ontstaan karakteristieke boomweiden waar natuurbeheer hand in hand gaat met boomteelt.

Meer bosaanleg is in beeld in het Dommeldal tussen de Belgische grens en Eindhoven. Dat zou heel goed uitkomen omdat vervuild beekdal daar dan wordt ingeplant in plaats van afgegraven.

Onduidelijk is of deze exercitie de 2500 hectare klimaatbos kan opleveren die het provinciebestuur tot 2024 voor ogen staat. Volgens Nyssen en Poelmans is het de bedoeling om binnen het Brabantse natuurnetwerk uiteindelijk 10.000 hectare bos aan te planten. Met de half miljard euro die het provinciale Groenontwikkelfonds nog voor de resterende invulling van dat netwerk heeft te besteden, kan dit proces worden gestuurd.

Fondsdirecteur Mary Fiers had kort geleden een ‘inspirerend gesprek’, zo twitterde zij, met TreesForAll om te bezien of samenwerking mogelijk is met deze bekende organisatie, die in binnen- en buitenland bomen plant ter compensatie van C02-uitstoot van vooral vliegreizen.

Wie bijvoorbeeld boekt via Vliegtickets.nl wordt gevraagd bomen te doneren aan TreesForAll. Dat geld komt onder meer terecht in het Nationaal Bossenfonds. De samenwerking hierbij met Staatsbosbeheer, krijgt voor het eerst ook gestalte in Brabant waar 6,5 hectare bos wordt aangeplant op een akker in natuurgebied De Pan nabij Sterksel.

In 2018 haalde TreesForAll 1,2 miljoen euro aan donaties binnen en plantte 174.000 bomen, waarvan bijna 61.000 in Nederland. Niet meer dan een (welkome) druppel op een gloeiende plaat. Grond voor bosaanleg komt slechts mondjesmaat beschikbaar.

Om alleen al de Brabantse ambitie voor de komende tien jaar te kunnen waarmaken is heel wat meer bos nodig dan nu in de pijplijn zit. Commerciële bosbouw zou hierbij kunnen helpen, zoals 100 jaar geleden veel heidevelden veranderden in dennenbossen voor stuthout in de mijnen.

Volgens voormalig provinciebestuurder Johan van den Hout dient zich hiervoor thans een klimaatmotief aan: huizen bouwen met hout in plaats van met steen en beton. Dat scheelt een hoop stikstof, mits je dat hout ook dichtbij huis aanplant. ,,Vruchtbare landbouwgrond leent zich daar uitstekend voor”, schetst Van den Hout in het winternummer van Brabants Landschap.

,,Wij moeten boeren gaan helpen met bosaanplant”, verklaarde Eurocommissaris Frans Timmermans onlangs in het tv-programma Buitenhof. Als de tweede man in Brussel hiervoor substantieel geld weet vrij te maken in het enorme Europese landbouwbudget (jaarlijks 50 miljard euro), wordt bosbouw mogelijk financieel haalbaar.

Dat nieuwe bosareaal moet dan wél duurzaam in stand blijven door houtkap en aanplant cyclisch op elkaar af te stemmen, zoals in Scandinavië gebeurt. Maar in Drenthe en Groningen ging dat heel anders. Een paar duizend hectare landbouwgrond die daar dertig jaar geleden werd bebost met rijkssubsidie is volgens Wageningse onderzoekers inmiddels weer ontbost. Als sluitstuk van een tijdelijke regeling die boeren vrijstelde van herplant. Dat schiet zo niet op.

Extra probleem in Brabant is nog dat landbouwgrond hard nodig is om mest uit de veeteelt kwijt te raken. Hoe minder grond daarvoor beschikbaar is, hoe meer mest industrieel moet worden verwerkt. En mestfabrieken stuiten toch al op grote maatschappelijke weerstand. Omschakeling naar grondgebonden landbouw waar de milieubeweging op hamert, zal de druk nog groter maken.

De prijzen van landbouwgrond zijn in Brabant de hoogste van het land: 70.000 tot 100.000 euro per hectare, bericht het kadaster. Dat maakt bosbouw peperduur.

Het is de vraag of bosuitbreiding omwille van het klimaat in het provinciehuis wel bestuurlijke prioriteit heeft. Tijdens de laatste Warandelezing in Tilburg die handelde over biodiversiteit, legde eerstverantwoordelijk gedeputeerde Rik Grashoff alle nadruk op herstel van het Brabantse bos. ,,Dat is er slecht aan toe. Zestigduizend hectare wordt bedreigd”, riep hij.

Als dat werkelijk zo is, resteert dus slechts 15.000 hectare gezond bos. Bitter weinig. Dan zal nieuw bos louter het oude kunnen vervangen. Daar schiet het klimaat voorlopig niets mee op.

De Brabantse Staten namen eind 2018 een motie van GroenLinks aan met de welluidende titel ‘Bomen zijn de oplossing’. Het provinciebestuur kreeg de opdracht om bij zijn verkenning naar CO2-compensatie ‘extra in te zetten op plaatsen waar bomen tot wasdom kunnen komen’.

Nu GroenLinks met Grashoff in het provinciebestuur aan de natuurknoppen draait, moet dit nog concreet worden gemaakt. En wel in de nieuwe Bosnota. Die is al geruime tijd in de maak, binnenskamers uitvoerig besproken met het maatschappelijk middenveld, maar nog steeds niet publiek gemaakt en evenmin aan de Staten voorgelegd.

Het politieke debat over de invulling van het bosbeleid wordt lastig. De provinciale coalitie heeft na vertrek van het CDA geen meerderheid in de Staten meer en hangt ook politiek uit het lood. De VVD vormt nu met GroenLinks, D66 en PvdA een monsterverbond dat zij niet wilde. Linksom of rechtsom moet steun worden gezocht en dat is een nooit eerder vertoond avontuur in de Brabantse politiek.

Hoe dan ook, klimaatbossen worden in Brabant een zaak van zeer lange adem. Daarom is het beter de aandacht alvast te richten op het landschap. De kaarten van Het Groene Woud in het PBLHoe dan ook, klimaatbossen worden in Brabant een zaak van zeer lange adem. Daarom is het beter de aandacht alvast te richten op het landschap. De kaarten van Het Groene Woud in het PBL-rapport laten ontluistering van het agrarische cultuurlandschap zien. Aan de hand hiervan is ook prima vast te stellen wat er nodig om deze schade te herstellen. -rapport laten ontluistering van het agrarische cultuurlandschap zien. Aan de hand hiervan is ook prima vast te stellen wat er nodig om deze schade te herstellen.

Hoe dan ook, klimaatbossen worden in Brabant een zaak van zeer lange adem. Daarom is het beter de aandacht alvast te richten op het landschap. De kaarten van Het Groene Woud in het PBL-rapport laten niet alleen de ontluistering van het agrarische cultuurlandschap zien. Aan de hand hiervan is ook prima vast te stellen wat er nodig om deze schade te herstellen.

Zoals gekanaliseerde Brabantse beken inmiddels weer kronkelen, kan ook het landschap van de Meierij stapsgewijs opnieuw worden aangekleed. Met kilometers nieuwe bomen en struiken die ook de kwaliteit van lucht en bodem verbeteren. Dit vergt doortimmerde plannen waar goede landschapsarchitecten voor nodig zijn.

Herstel van cultuurlandschap valt lokaal en (boven)regionaal te financieren met heffingen op projecten die bomen en ruimte opslokken, zoals woningbouw, aanleg van wegen en bedrijventerreinen, en stallenbouw.

Eis bijvoorbeeld voor iedere gekapte volwassen boom vier nieuwe bomen terug en compenseer elke te bebouwen hectare met een nieuw stuk bos. Ingewikkeld en duur? TreesForAll beschikt over een eenvoudig rekensysteem. Voor 25 euro gaan vier bomen de grond in, of wordt twee ton CO2 gecompenseerd. Dat wiel hoeft niet meer te worden uitgevonden.

Zo’n landschapsherstelproject vereist allereerst een goed samenspel tussen de provincie als regisseur, gemeenten, boerenbelangenbehartigers en natuurbeheerders.

Onmisbaar voor de uitvoering zijn bedrijven die beschikken over uitstekend kweekmateriaal en dat vervolgens zo aanplanten dat de jonge vegetaties lange droogteperiodes kunnen overleven. Nederlandse deskundigen passen zulke methodes al toe in de Sahara en in de binnenlanden van Spanje.

Zéér belangrijk bij dit alles is dat Brussel financieel meedoet. Want die nieuwe houtwallen en bomensingels langs akkers en weilanden hebben onderhoud nodig. Subsidie hiervoor uit de Europese landbouwkas kan een reguliere bron van inkomsten worden voor boeren die willen omschakelen naar natuurinclusieve landbouw. Dan snijdt het mes aan twee kanten.

Zo’n onderhoudsplan voor het landschap is eerder bedacht door Brabants Landschap ten tijde van de enorme ruilverkaveling Sint-Oedenrode, maar stuitte toen op Europese mededingingsregels. Nu Frans Timmermans in Brussel zijn Green Deal waar moet gaan maken, gloort perspectief.

Stukje bij beetje kan dan toch invulling worden gegeven aan ambities die grossieren in grote getallen maar realiteitszin ontberen. Dat moet ook. Bos en landschap zijn hard aan verversing toe. Want Brabant heeft zuurstof tegen ademnood nodig.

.

Megaslachter in Boxtel kan ongehinderd zijn gang gaan

BOXTEL- Vleesconcern Vion groeit alsmaar verder in Boxtel. Bij de megaslachterij op het bedrijventerrein Ladonk verrijst nu een vleesverwerkingshal van 12.000 vierkante meter. Een investering van 35 miljoen euro. Daar gaan straks maar liefst 600 arbeiders aan de slag. Dan werken er in totaal 2400 man bij Vion in Boxtel.

Daarmee wordt het vleesconcern een nóg grotere speler op Ladonk, waar ook zijn hoofdkantoor staat en het eigen transportbedrijf Distrifresh prominent rondrijdt. Dit proces van centralisatie is gaande sinds Vion, eigendom van de boerencoöperatie ZLTO, langs de rand van de afgrond scheerde. Het bedrijf had zich vertild aan de kostbare overname van een grote Britse vleesketen.

De slachterij van Vion langs de spoorlijn Boxtel-Eindhoven, gezien vanaf de Parallelweg-Zuid, de zuidelijke uitvalsweg van Boxtel.

Door fors in te teren op de reserves, winstgevende bedrijfsonderdelen te verkopen en zich volledig te concentreren op de slacht en verwerking van consumptievlees, wist Vion de enorme verliezen op te vangen. Het bedrijf maakt inmiddels weer winst, al steekt die mager af bij de omzet.

Dus moet er scherp aan de wind worden gezeild. De uitbreiding in Boxtel betekent inkrimping op andere bedrijfslocaties, zoals in Scherpenzeel en Valkenswaard. Omdat de plannen hiervoor forser uitpakken dan eerder gepland, zijn nieuwe vergunningen nodig. Zo heeft Vion eind augustus 2019 bij de provincie een natuurvergunning gevraagd.

Die vergunning laat op zich wachten. Want door het debacle met het Nederlandse stikstofbeleid dat de Raad van State mei dit jaar de grond in boorde, en de aanhoudende wanorde hierover, zijn ook in Brabant vrijwel geen natuurvergunningen meer verstrekt. De omgevingsdienst die hiervoor namens de provincie Noord-Brabant aan de lat staat, kampt met grote achterstanden.

De grote vleesverwerkingshal op het Vion-terrein in aanbouw

Ondertussen is Vion volop aan de slag gegaan. De vleesverwerkingshal is in aanbouw en een groot parkeerterrein aangelegd en in gebruik.

Mag dat zomaar?

Het vergt de nodige inspanning om dat te doorgronden. Want wetgeving hierover is ondoorzichtig. Om te mogen uitbreiden heeft Vion zowel een provinciale natuurvergunning als een gemeentelijke bouwvergunning nodig. Dat loopt via twee procedures die los van elkaar staan. Om te voorkomen dat de gemeente iets vergunt dat het natuurbelang schaadt, is vooraf toestemming nodig van de provincie.

Deze regel is volgens de gemeente in dit geval niet van toepassing. Want Vion heeft al een natuurvergunning die het alleen op ondergeschikte punten wil wijzigen. Dus krijgt het bedrijf op 3 september 2019 zijn bouwvergunning voor hal en parkeerterrein. Verwezen wordt verder naar de aanvraag voor een natuurvergunning die Vion 13 dagen daarvoor bij de provincie had ingediend. Vergezeld van het ‘nadrukkelijke’ verzoek om beide vergunningaanvragen ‘te ontkoppelen’.

Daarmee is voor de gemeente de kous af. Of er invloed is op de natuur, moet Vion zelf nagaan. Daar is de gemeente niet verantwoordelijk voor.

Het gemak waarmee dit gaat steekt schril af bij de aanhoudende overlast van de megaslachterij voor haar omgeving. Stank en lawaai zijn voor omwonenden aan de orde van de dag. Ook werden diverse Boxtelaren ernstig ziek van besmet afvalwater uit de slachterij. Vion voelde zich voor deze legionellabesmetting niet verantwoordelijk omdat het de waterzuivering heeft uitbesteed aan HydroBusiness, een dochteronderneming van Brabant Water.

Met een doorgroeiend Vion zal ook de overlast steeds verder toenemen, zo vreest actiegroep ‘La vie en rose’. Die organiseerde voorjaar 2019 een volkspetitie tegen Vion en haalde daarmee 1000 handtekeningen op van Boxtelaren die de doordringende stank van de slachterij beu zijn.

Onder invloed van deze protesten, spiegelde het gemeentebestuur bevolking en politiek een strengere aanpak van Vion voor. Tegelijk wees het de vele bezwaren tegen uitbreiding van het bedrijf als niet ter zake van de hand. De pap voor Vion was immers al eerder gestort: in 2009 en 2015 met vergunningen waarmee de slachterij haar productie kon verdubbelen naar 5.6 miljoen varkens per jaar.

Het industriële bedrijf – een uit haar krachten gegroeide varkenshouderij annex vleesverwerker – is nu zo groot en zo ingewikkeld dat het volgens de gemeente financieel onhaalbaar is om het nog te kunnen verplaatsen naar een groot stedelijk industrieterrein, waar het thuis hoort. Daarom blijft Boxtel meewerken aan verdere uitbreiding.

Slechts één bezwaarmaker vocht de grote sprong voorwaarts van Vion op Ladonk bij de bestuursrechter aan. Dat is een omwonende die pal tegenover de slachterij huist en zich ongerust maakt over zijn veiligheid als de koelinstallatie met 12.000 kilo zeer giftig ammoniak zou gaan lekken.

Hij sloeg hiermee de spijker op zijn kop: de gemeente Boxtel had te makkelijk aangenomen dat het met de veiligheid wel goed zat. De rechter greep direct in en schreef voor dat de ammoniakinstallatie op lagere temperaturen moet blijven werken, zodat een kleiner gebied risico loopt.

Bovendien gelastte hij aanvullend onderzoek naar de omstandigheden in de gevarenzone rond Vion. De brandweer ging alsnog bij de bezwaarmaker op huisbezoek en stelde vast dat de bewoners hier ‘voldoende zelfredzaam zijn’ om zich in geval van nood snel via hun tuin uit de voeten te maken, en daarmee te voorkomen dat ze dodelijk gif inademen. Tijdig gewaarschuwd door het Vionalarm dat volgens de gemeente binnen één minuut na de calamiteit zal loeien.

De rechter toonde zich tevreden over deze uitkomst en stond alsnog toe dat de woningen en bedrijfspanden binnen de gevarenzone rond de slachterij worden gedoogd. Behalve het huis van de bezwaarmaker, gaat het om het bedrijvencentrum de Baanderije (toen nog met Fotovakschool), en een destijds leegstaand restaurant met bovenwoning.

Ook de werkende mensen in de Baanderije kunnen zich bij een ammoniaklek volgens de brandweer prima redden. Mits ze vooraf goed zijn voorgelicht. Of dat zo is valt te betwijfelen.

Pal tegenover Vion (rechts van de spoorlijn) staat het bedrijvencentrum de Baanderije (zie de bebouwingsrand links van de weg) met daarachter woning en eetcafé.

De uitspraak van de rechter werd later in hoger beroep bevestigd door de Raad van State. Daardoor bleef de milieuvergunning van 2015 overeind zodat Vion 5,6 miljoen varkens kon gaan slachten. Zeer gunstig voor het vleesconcern. Anders had het binnen de gevarenzone panden moeten aankopen om de productie te kunnen opvoeren. Of, veel beter, een milieuvriendelijk koelsysteem moeten aanschaffen waardoor het ammoniakgevaar verdwijnt. Dit had de gemeente in 2015 met Vion kunnen regelen, maar dat gebeurde niet.

Pikant detail: de Fotovakschool is inmiddels vertrokken uit de Baanderije. Haar cursisten vonden de stank van Vion niet meer te harden. Het restaurant is na grondige verbouwing weer in gebruik als eetcafé. Dat staat inmiddels te koop.

Vaker blijkt dat het vleesconcern kan rekenen op coulance van het bevoegd gezag. Zo is ditmaal niets geregeld voor de huisvesting van 600 arbeidskrachten die er bij Vion in Boxtel bijkomen. Het vleesconcern betrekt deze mensen van uitzendbureaus die gespecialiseerd zijn in arbeidsmigranten. Maar allerlei panden in Boxtel puilen reeds uit met zulke werkers. Na een recente brand in zo’n woning, gaat de gemeente nu handhaven op maximaal vier mensen per pand. Met als bijkomend gevolg dat de huisvestingsproblemen nóg groter worden dan ze al zijn.

Gesproken wordt inmiddels over plaatsing van wooncontainers in de oksel van twee spoorlijnen die in Boxtel samenkomen. Dat stuit daar bij omwonenden al op bezwaren. Bovendien moeten zaken worden gedaan met de projectontwikkelaar die de grond in handen heeft. Dat is lastig, zo niet onhaalbaar.

De verleende omgevingsvergunning wordt bij de rechter aangevochten door huurders van het nabije wooncomplex Stapelen dat in de vuile wind van de slachterij staat. Zij vinden dat de gemeente geen toestemming voor uitbreiding mag geven zolang Vion zijn bedrijfsprocessen niet op orde heeft en blijft stinken. De volcontinu productie van de slachterij stelt hoge eisen aan de kwaliteit van installaties, onderhoud en personeel die lastig zijn in te vullen. Overbelasting ligt op de loer.

Hangende het beroep van de bewoners blijft de vergunning van kracht. Vion kan dus doorbouwen tot de rechter heeft gesproken. Op eigen risico, dat weloverwogen wordt genomen. De vleesverwerker waant zich juridisch ijzersterk en niet zonder reden.

Maar is Vion ook immuun voor de stikstofcrisis? Dat staat te bezien.

De natuurvergunning van 2010 liet toe dat de Kampina zwaarder wordt belast met stikstof. En dat terwijl de heide en vennen in dit Europees beschermde natuurgebied, op een steenworp afstand van de slachterij, al jarenlang worden geteisterd door een overmaat aan stikstof die als een deken over Midden- en Oost-Brabant hangt. Deze slechte milieukwaliteit ondermijnt het effect van herstelwerk als plaggen en uitbaggeren die eigenaar/beheerder Natuurmonumenten in de Kampina periodiek laat uitvoeren. Dat is dweilen met de kraan open.

Het provinciebestuur concludeerde in 2010 dat de minieme hoeveelheid stikstof die Vion produceert ‘geen waarneembare effecten’ op de Kampina sorteert. Het gaat hier om de ammoniakuitstoot van varkens die in het voorportaal van de slachterij op hun einde wachten. Deze uitstoot valt niet te vergelijken met die van veehouderijen. Want Vion treft immers allerlei stikstofbeperkende maatregelen, zo wordt in de vergunning benadrukt.

Bij de volgende uitbreiding in 2015 belast het bedrijf de Kampina met de dubbele hoeveelheid stikstof. Maar de provincie concludeert dat er juist sprake is van een daling zodat de natuurvergunning probleemloos kan worden verleend. Want de vergunning uit 2010 bood Vion bij nadere becijfering drie keer zoveel stikstofruimte als eerder aangegeven.

Er was nóg een meevaller. Vion vroeg de natuurvergunning van 2015 op 1 mei dat jaar aan en kreeg 30 juni groen licht. Dat is één dag voor invoering van de Programmatische Aanpak Stikstof, inmiddels wijd en zijd bekend als de PAS die dit jaar sneuvelde bij de Raad Van State.

Voordeel daarvan voor Vion was dat zijn natuurbelasting volgens een oude methode kon worden berekend. Niet meegenomen werden de stikstofeffecten van het verkeer op de uitvalswegen naar het bedrijf Dat gaat om grote aantallen veewagens die zes dagen per week, dag en nacht naar het slachthuis pendelen. Naar hun belasting van de Kampina blijft het gissen.

De conclusie dringt zich op dat Vion zijn natuurvergunning van 2015 cadeau kreeg van de provincie.

Dit besluit werd niet beoordeeld door een rechter omdat geen natuur- en milieuorganisatie in beroep ging. Ook niet Natuurmonumenten en de Brabantse Milieufederatie (BMF) die later wel met succes een megavarkenshouderij aan de Oirschotse zijde van dit natuurgebied wisten tegen te houden.

De uitspraak in die zaak baarde opzien. De rechtbank Oost-Brabant bepaalde daarin dat een eenmaal verleende natuurvergunning niet onaantastbaar is als zij stoelt op onjuiste gegevens. Bij het Oirschotse megabedrijf lijkt het daar sterk op. Daarom moet het provinciebestuur van de rechter opnieuw beoordelen of deze vergunning toch niet moet worden ingetrokken, zoals Natuurmonumenten en de BMF willen.

Deze zaak doet denken aan de natuurvergunning van Vion uit 2015 die vergelijkbare mankementen vertoont.

Vier jaar later, op 23 augustus 2019, verschijnt de Vion-vergunning ineens als ‘gewijzigd’ op de provinciale website Brabant.nl. De omgevingsdienst noemt dit desgevraagd ‘een administratieve handeling zonder (juridische) betekenis’.

Juist een dag eerder, op 22 augustus, kwam het bedrijf met een aanvraag tot wijziging. Die laat zien dat Vion de nieuwste stikstofregels wil ontlopen. Het bedrijf beroept zich hiervoor op de vergunning van 2015. Dan hoeft ook de stikstofuitstoot van het eigen verkeer op de uitvalswegen niet te worden meegerekend. Terwijl het aantal vervoersbewegingen verdrievoudigt met de komst van 600 extra arbeiders, voornamelijk arbeidsmigranten.

Ondertussen is de vleeshal voluit in aanbouw. De omgevingsdienst weet dit al sinds half oktober, maar treedt niet op. Dit betekent doorgaans dat binnenskamers al is uitgemaakt dat Vion zijn natuurvergunning zal krijgen. De provincie bevestigt dit beeld in het Boxtelse nieuwsblad Brabants Centrum van 21 november: het mag niet, maar we laten Vion begaan.

‘Zodra de aanvraag ontvankelijk is, zullen wij een ontwerp-beschikking ter inzage leggen, waarop een ieder zijn zienswijze kan geven’, schetst de omgevingsdienst de formele procedure. Tot dat moment is er niets om eventueel bezwaar tegen te maken, laat staan om met enige kans van slagen de bouw door de rechter subiet stil te laten leggen.

De rechtsbescherming is hier ver te zoeken.

Zo trekt Vion aan het langste eind, zonder een vinger voor de natuur uit te steken. Ook dit stikstof producerende bedrijf zou in de huidige crisistijd een bijdrage moeten leveren aan natuurverbetering. Door bos aan te leggen of een varkensboer met een verouderd bedrijf uit te kopen. Het grote Vion kan daarin tot voorbeeld zijn voor anderen. Maar dat zit er niet in.

De huidige opstelling bevestigt het imago van een bedrijf dat zich weinig aantrekt van zijn omgeving. Terwijl Vion laatst toch wakker schrok van allerlei negatieve publiciteit. Dat leidde onder meer tot een charmeoffensiefje, met zelfbetaalde columns van de bedrijfsdierenarts Derk Oorburg in twee Boxtelse weekbladen. Dat deze arts bij Vion ook directeur is bleef hierbij onvermeld. Zijn goedgevoelcolumns maakten weinig indruk.

Vergezicht op de zuidrand van Boxtel, met van links naar rechts de Vionslachterij , de contouren van het bedrijvencentrum de Baanderije en de toren van het achtergelegen wooncomplex Stapelen

Vion heeft dan ook een forse kloof naar de samenleving te overbruggen. Het massieve fabriekscomplex dat het aanzicht van de zuidelijke dorpsrand devalueert, is nu eenmaal het ongure sluitstuk van de doorgeslagen intensieve veehouderij in Brabant. Geen mens wil weten wat zich afspeelt in de slachterij, uitgezonderd dierenactivisten die Vion regelmatig op de korrel nemen.

Het bedrijf moet dus zelf een brug zien te slaan naar de Boxtelse bevolking en specifiek naar omwonenden die veel last hebben van de slachterij. Dat vereist initiatief. De kans om rechtstreeks in gesprek te gaan met huurders van Stapelen over hun zwartboek, liet de bedrijfsleiding onbenut.

Maar er is een lichtpuntje. De vaste adviseur van Vion, het bureau Witteveen+Bos, doet onderzoek naar oorzaken en oplossingen van de stankoverlast. Dat gebeurt op aandringen van het gemeentebestuur met als doel dat ‘Boxtel Vion niet meer ruikt’. Het onderzoek wordt begeleid door een klankbordgroep met daarin ook omwonenden. Daar kan in ieder geval een gesprek op gang komen.

Ondertussen hield Vion half november in Boxtel een symposium over de toekomst van de agrifoodbranche, samen met de gemeente. ‘Meer boeren, minder vee’, pleitte de Wageningse oud-hoogleraar Michiel Korthals daar voor ‘afbouw van de veestapel’. Zijn verhaal staat bol van cijfers die de noodzaak van een ommezwaai illustreren. Maar over zulke heikele materie ging het deze namiddag in het hol van de leeuw verder niet.

Buiten het Vionkantoor werd gewerkt aan de grote vleeshal. Daar ging het binnen ook niet over.

De uitzondering als regel betekent schijnveiligheid

De almachtige bureaucratie in dit land is uitermate bedreven in het opstellen van regels en nóg vindingrijker in het bedenken van uitzonderingen daarop.

Dat bleek mij weer eens tijdens een speurtocht door de jungle van normen en voorschriften die de mens in onze dichtbevolkte natie zouden moeten beschermen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.

We hebben het hier over Bevi en Revi. Speelse namen voor de wondere wereld van kansbenadering en risicocontouren.

De uitgangspunten zijn helder.

Er zijn kwetsbare objecten waar frequent veel (kwetsbare) mensen aanwezig zijn, zoals scholen en ziekenhuizen. Daar is bij ongevallen grote kans op slachtoffers en daar moeten gevaarlijke bedrijven uit voorzorg uit de buurt blijven.

Dan zijn er de beperkt kwetsbare objecten waar minder mensen minder vaak verblijven: van sporthallen en speeltuinen tot verspreide woningen. Dit is het speelveld van de uitzonderingen, waar het bevoegd gezag zoals dat heet ‘eigen afwegingen’ moet maken bij aanvragen voor milieuvergunningen.

Zelden komen er in Nederland nog nieuwe gevaarlijke bedrijven bij. Niemand wil ze in de buurt hebben. De enorme mestfabriek die in Oss op stapel staat, stuit behalve op hevige lokale tegenstand inmiddels ook op de stikstofcrisis.

De bulk van Bevi en Revi zijn bestaande bedrijven die met giftige en brandbare stoffen werken en willen uitbreiden. Zoals de megaslachterij in Boxtel waar Vion de productie heeft verdubbeld. Meer vlees moet daardoor worden gekoeld met meer vloeibaar ammoniak en dat vormt een groter risico voor de buren aan de overkant. Dat zijn mensen die binnen de directe gevarenzone van de slachterij werken en wonen. De uitbreiding van Vion kan dan alleen doorgaan als de gemeente dat volgens Bevi en Revi ‘voldoende motiveert’.

Hoe gaat zoiets? De brandweer beoordeelt de situatie. Enkele citaten van de bevindingen: in het bedrijfsverzamelgebouw bevindt zich een relatief klein aantal mensen dat beschikt over een grote zelfredzaamheid, het gebouw is voldoende luchtdicht en heeft voldoende vluchtwegen; ook het restaurant heeft een vluchtmogelijkheid; de woning biedt in voldoende mate bescherming, de bewoners zijn voldoende zelfredzaam en hebben een vluchtmogelijkheid via de tuin.

Kortom: de vergunning kan worden verleend. Vion is nog verplicht om de buren aan de overkant te informeren hoe zij worden gealarmeerd en hoe zij moeten handelen bij een ammoniaklekkage.

En dat is het dan. Controle en handhaving van de regels kunnen de veiligheid nog wat bevorderen. Maar dit is een ander hoofdstuk dat in het algemeen niet vrolijk stemt.

Wat betekent dit nu als zich bij Vion een ramp voltrekt? Weinig, durf ik te voorspellen. Je mag vooral hopen dat er dan weinig mensen in de buurt zijn, ook binnen de slachterij zelf. Dat er op dat moment geen volle passagierstrein of een goederentrein met gevaarlijke stoffen voorbij rijdt. Want de slachterij staat langs een van ‘s lands drukste spoorlijnen. Hopelijk functioneert de alarmering en is de brandweer er op tijd bij. Dan blijft de schade misschien beperkt.

Dit voorbeeld illustreert dat Bevi en Levi in praktijk vooral een vehikel zijn om gevaarlijke bedrijven op basis van bureaucratische schijnveiligheid te kunnen laten doorgroeien. De regel dat dit uit voorzorg niet mag, wordt uitgehold door hiervan veelvuldig af te wijken. De uitzondering wordt daarmee regel en dat is niet goed.

Pagina 3 van 4

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén