Auteur: Ron Lodewijks

Brabants bos en landschap ontberen nieuw perspectief

De ambities buitelen over elkaar heen. Twee miljard bomen erbij in Europa, proclameert de Europese Commissie in haar klimaatbeleid voor de komende 30 jaar. Het Nederlandse kabinet kondigt klimaatbossen aan in zijn maatregelen tegen de stikstofcrisis.

Staatsbosbeheer en Shell willen Nederland in 12 jaar verrijken met vijf miljoen bomen, op kosten van de oliemaatschappij. GroenLinks en SP in de Tweede Kamer hebben een nationaal plan voor 17 miljoen bomen in 20 jaar: een boom per inwoner.

De Partij voor de Dieren in Provinciale Staten wil voor iedere Brabander een boom planten. Het provinciebestuur zet in op aanleg van 13.000 hectare bos tot 2030. Te beginnen met 2500 hectare, zo staat in het Brabantse bestuursakkoord ‘Kiezen voor kwaliteit’ van vorig jaar.

Dergelijke ambities volgens de wet van de grote getallen moeten de indruk wekken dat de opwarming van de aarde op dit continent wel degelijk serieus bestreden gaat worden. Met al dat extra bos moet de alsmaar toenemende uitstoot van het broeikasgas CO2 substantieel worden afgevangen. Nieuwe en vitale bossen zijn ook belangrijk om de luchtkwaliteit te verbeteren en daarmee de volksgezondheid te dienen.

Dat er in Nederland bos bijkomt is vooralsnog een utopie. Want er verdwijnen gestaag meer bomen dan er worden aangeplant. Het areaal Brabants bos – 75.000 hectare – kromp de afgelopen 30 jaar met 400 hectare, zo blijkt uit cijfers van Wageningen Universiteit . En dat terwijl er in deze provincie 11.000 hectare nieuwe natuur bijkwam, door omvorming van landbouwgrond. Deze ‘andere natuur’ omvat inmiddels 46.000 hectare. Hoe is zulke scheefgroei mogelijk?

Nationaal becijferden onderzoekers van de Wageningen Universiteit in het vakblad NBL (Natuur Bos Landschap) van september 2017 dat onder meer bos is gekapt voor andere natuur (zoals heide en zandverstuivingen), voor vervanging en verjonging van bos, bebouwing en wegen. Deze cijfers zijn echter niet uitgesplitst per provincie.

Een inkijkje in Brabant, biedt wél het recente rapport ‘Zorg voor landschap’ van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) . Dat keek naar 35 jaar ruimtelijke ontwikkeling in Het Groene Woud, het groene hart tussen Eindhoven, Tilburg en Den Bosch. Vergelijking tussen de topografische kaarten uit 1972 en 2017 laat vooral de verschraling zien van het landschap dat buiten het wél beschermde natuurnetwerk valt.

Dat werd geofferd aan bebouwing langs de randen van steden en wegen. Én viel ten prooi aan schaalvergroting. ‘Sloten zijn gedempt, beken rechtgetrokken, kavels samengevoegd, houtsingels gekapt of zo verwaarloosd dat ze geleidelijk verdwenen.’ Het PBL laat de oorzaak hiervan onvermeld, maar dit zijn onmiskenbaar de gevolgen van twee ruilverkavelingen die hun sporen trokken door het cultuurlandschap van Het Groene Woud.

Sluipende sloop van groen is ook binnen dorpen en steden sinds jaar en dag gaande. Zo valt ten gevolge van de ontkerkelijking de ene na de andere monumentale pastorietuin ten prooi aan projectontwikkelaars. Met de verkoop van historisch dorpsgroen als bouwgrond compenseren kerkbesturen hun slinkende inkomsten.

Dadelijk maakt de pastorietuin aan de Veldstraat in Liempde plaats voor 11 woningen. Deze groene oase in het dorpshart verdwijnt terwijl Liempde er tegelijkertijd ook een grote nieuwbouwwijk bij krijgt.

Op veel meer plaatsen in verstedelijkt gebied verdwijnen bomen omdat ‘ze in de weg staan’ of ‘overlast veroorzaken’.

Zoals in Den Bosch waar buurtbewoners, inmiddels met steun van de gemeenteraad, strijden voor het behoud van 34 majestueuze platanen in de spoorzone. ProRail wil deze groene longen van de Boschveldweg slopen voor reconstructiewerk. De bomen zijn te behouden, maar dat maakt het werk duurder. Deze strijd is nog onbeslist.

Ook over bomenkap binnen natuurgebieden ontstaat steeds meer maatschappelijk rumoer. Met name als bos wordt geofferd voor andere natuur, waarbij beheerders ook nog eens zijn vrijgesteld van herplant. Provinciale Staten willen inmiddels een rem zetten op het kappen van bomen ten faveure van schraalgronden als heide en zandverstuivingen.

Ook vindt de Brabantse politiek het hoog tijd dat de provincie bij illegale boskap eisen gaat stellen aan de kwaliteit van bomen die moeten worden herplant. Tot dusver kunnen wetsovertreders doorgaans ongestraft hun eigen gang blijven gaan. Dat betekent natuurverlies in het kwadraat.

Onder druk van de publieke opinie, deed Natuurmonumenten afgelopen zomer in een uitgebreide verklaring de belofte zich sterk te maken voor bosuitbreiding en zelf ook minder bomen te gaan kappen. Mochten er toch bomen moeten wijken voor herstel van open landschappen om daarmee bedreigde planten en dieren te kunnen behouden, dan gebeurt dat ‘in de toekomst alleen nog als iedere gekapte boom wordt gecompenseerd’.

Dergelijk herstelwerk voert Natuurmonumenten momenteel uit in de Kampina. Daar worden randen van drie vennen ontdaan van geboomte dat water wegzuigt en daarmee bijdraagt aan verdroging van deze vennen. Ook worden een zandverstuiving en stuifzandheide weer open gemaakt. Deze habitats in de Kampina genieten Europese bescherming, maar raken steeds sneller overgroeid onder invloed van de overmaat aan stikstof die als een deken over Brabant hangt.

Bij elkaar verdwijnt er in dit natuurreservaat bij Boxtel deze maanden zo’n 21 hectare ongewenste begroeiing zoals grove dennen, gewone berken en zomereiken. In doorsnee variërend van vijf tot 60 centimeter, zo meldde Natuurmonumenten begin 2019 aan de provincie die hier verder geen toezicht op houdt.

De vraag rijst of volwassen bomen die in deze hersteloperatie tegen de vlakte gaan, niet meteen zouden moeten worden gecompenseerd. Dat geldt met name voor naaldbomen. ,,Die filteren twee keer zoveel fijnstof uit de lucht als loofbomen, gebruiken weinig water en kunnen als geen andere boom op droge arme zandgronden staan”, oordeelt een groep van belangenorganisaties die strijdt voor behoud van bossen en bomen.

Zij riepen de provinciale politiek het afgelopen voorjaar op zich te keren tegen de heersende ‘discriminatie van naaldbomen’. ,,Het gemak waarmee deze bomen worden gekapt ten gunste van heide of zand moet stoppen.”

De heersende opvatting in provinciale natuurbeschermingskringen is evenwel dat de Brabantse bossen te zeer worden gedomineerd door dennen, eiken en beuken die samen de bodem verzuren en de natuur verarmen.

Geleidelijke omvorming en bosuitbreiding zijn hard nodig door aanplant van een grote variëteit aan soorten loofbomen die het bodemleven verrijken en ook bestand zijn tegen droogte, zo schetsten Bart Nyssen van de Bosgroep Zuid en provincie-ecoloog Wiel Poelmans begin 2019 in het al genoemde vakblad NBL. Geschikt daarvoor noemen zij de linde, esdoorn, haagbeuk, hazelaar, tamme kastanje en wintereik.

Dergelijke gemengde bossen zijn ‘klimaatslim’ omdat ze meer koolstofdioxide (het broeikasgas CO2) uit de atmosfeer halen en koolstof in de bodem vasthouden. Ook worden ze minder kwetsbaar voor ziekten en plagen die momenteel vooral essen en fijnsparren treffen.

Brabants Landschap zet deze maanden de zaag in fijnsparrenbossen waar na twee droge zomers de letterzetter danig heeft huisgehouden, zo meldt het op zijn site. Zij worden vervangen door andere soorten loofbomen, én grove dennen waar vogels als ransuil en goudhaantje zich thuisvoelen. Maar er blijven ook dode fijnsparren staan, als bron van voedsel voor de zwarte specht.

De gemeente Sint-Michielsgestel houdt in haar bossen rigoureuze opruiming onder essen die zijn opgevreten door het vals essenvlieskelkje. Ook daar komen allerlei andere loofsoorten voor terug.

Deze filosofie van de diversiteit lijkt ook door te klinken in het nieuwe bosbeleid dat de provincie in de grondverf heeft staan. Na het nodige overleg met het maatschappelijk middenveld krijgt dit beleid nu voorzichtig gestalte in het kersverse besluit van Gedeputeerde Staten om binnen het Brabantse natuurnetwerk meer ruimte te scheppen voor bos.

Gezocht wordt naar geschikte plekken in vooral de Brabantse beekdalen, maar ook in cultuurlandschappen als De Scheeken en De Mortelen tussen Boxtel, Best en Oirschot die tot het domein van Brabants Landschap horen.

Hoe dat al in zijn werk gaat, zet deze natuurbeheerder uiteen in zijn recente winternummer. In De Mortelen wordt vooral gemikt op aanwas van zeldzaam geworden bomen en struiken die daar van oudsher thuishoren, zoals fladderiep, winterlinde, mispel en viltroos. Zaad van oude overgebleven soorten wordt al jaren met succes opgekweekt en uitgeplant op openvallende plekken in het bos. Vooral populieren moeten hiervoor wijken.

Tot bosverdichting komt het niet in De Scheeken. Om dit ontginningslandschap vooral open te houden, plant Brabants Landschap alleen in de randen populieren(!) bij. Hierdoor ontstaan karakteristieke boomweiden waar natuurbeheer hand in hand gaat met boomteelt.

Meer bosaanleg is in beeld in het Dommeldal tussen de Belgische grens en Eindhoven. Dat zou heel goed uitkomen omdat vervuild beekdal daar dan wordt ingeplant in plaats van afgegraven.

Onduidelijk is of deze exercitie de 2500 hectare klimaatbos kan opleveren die het provinciebestuur tot 2024 voor ogen staat. Volgens Nyssen en Poelmans is het de bedoeling om binnen het Brabantse natuurnetwerk uiteindelijk 10.000 hectare bos aan te planten. Met de half miljard euro die het provinciale Groenontwikkelfonds nog voor de resterende invulling van dat netwerk heeft te besteden, kan dit proces worden gestuurd.

Fondsdirecteur Mary Fiers had kort geleden een ‘inspirerend gesprek’, zo twitterde zij, met TreesForAll om te bezien of samenwerking mogelijk is met deze bekende organisatie, die in binnen- en buitenland bomen plant ter compensatie van C02-uitstoot van vooral vliegreizen.

Wie bijvoorbeeld boekt via Vliegtickets.nl wordt gevraagd bomen te doneren aan TreesForAll. Dat geld komt onder meer terecht in het Nationaal Bossenfonds. De samenwerking hierbij met Staatsbosbeheer, krijgt voor het eerst ook gestalte in Brabant waar 6,5 hectare bos wordt aangeplant op een akker in natuurgebied De Pan nabij Sterksel.

In 2018 haalde TreesForAll 1,2 miljoen euro aan donaties binnen en plantte 174.000 bomen, waarvan bijna 61.000 in Nederland. Niet meer dan een (welkome) druppel op een gloeiende plaat. Grond voor bosaanleg komt slechts mondjesmaat beschikbaar.

Om alleen al de Brabantse ambitie voor de komende tien jaar te kunnen waarmaken is heel wat meer bos nodig dan nu in de pijplijn zit. Commerciële bosbouw zou hierbij kunnen helpen, zoals 100 jaar geleden veel heidevelden veranderden in dennenbossen voor stuthout in de mijnen.

Volgens voormalig provinciebestuurder Johan van den Hout dient zich hiervoor thans een klimaatmotief aan: huizen bouwen met hout in plaats van met steen en beton. Dat scheelt een hoop stikstof, mits je dat hout ook dichtbij huis aanplant. ,,Vruchtbare landbouwgrond leent zich daar uitstekend voor”, schetst Van den Hout in het winternummer van Brabants Landschap.

,,Wij moeten boeren gaan helpen met bosaanplant”, verklaarde Eurocommissaris Frans Timmermans onlangs in het tv-programma Buitenhof. Als de tweede man in Brussel hiervoor substantieel geld weet vrij te maken in het enorme Europese landbouwbudget (jaarlijks 50 miljard euro), wordt bosbouw mogelijk financieel haalbaar.

Dat nieuwe bosareaal moet dan wél duurzaam in stand blijven door houtkap en aanplant cyclisch op elkaar af te stemmen, zoals in Scandinavië gebeurt. Maar in Drenthe en Groningen ging dat heel anders. Een paar duizend hectare landbouwgrond die daar dertig jaar geleden werd bebost met rijkssubsidie is volgens Wageningse onderzoekers inmiddels weer ontbost. Als sluitstuk van een tijdelijke regeling die boeren vrijstelde van herplant. Dat schiet zo niet op.

Extra probleem in Brabant is nog dat landbouwgrond hard nodig is om mest uit de veeteelt kwijt te raken. Hoe minder grond daarvoor beschikbaar is, hoe meer mest industrieel moet worden verwerkt. En mestfabrieken stuiten toch al op grote maatschappelijke weerstand. Omschakeling naar grondgebonden landbouw waar de milieubeweging op hamert, zal de druk nog groter maken.

De prijzen van landbouwgrond zijn in Brabant de hoogste van het land: 70.000 tot 100.000 euro per hectare, bericht het kadaster. Dat maakt bosbouw peperduur.

Het is de vraag of bosuitbreiding omwille van het klimaat in het provinciehuis wel bestuurlijke prioriteit heeft. Tijdens de laatste Warandelezing in Tilburg die handelde over biodiversiteit, legde eerstverantwoordelijk gedeputeerde Rik Grashoff alle nadruk op herstel van het Brabantse bos. ,,Dat is er slecht aan toe. Zestigduizend hectare wordt bedreigd”, riep hij.

Als dat werkelijk zo is, resteert dus slechts 15.000 hectare gezond bos. Bitter weinig. Dan zal nieuw bos louter het oude kunnen vervangen. Daar schiet het klimaat voorlopig niets mee op.

De Brabantse Staten namen eind 2018 een motie van GroenLinks aan met de welluidende titel ‘Bomen zijn de oplossing’. Het provinciebestuur kreeg de opdracht om bij zijn verkenning naar CO2-compensatie ‘extra in te zetten op plaatsen waar bomen tot wasdom kunnen komen’.

Nu GroenLinks met Grashoff in het provinciebestuur aan de natuurknoppen draait, moet dit nog concreet worden gemaakt. En wel in de nieuwe Bosnota. Die is al geruime tijd in de maak, binnenskamers uitvoerig besproken met het maatschappelijk middenveld, maar nog steeds niet publiek gemaakt en evenmin aan de Staten voorgelegd.

Het politieke debat over de invulling van het bosbeleid wordt lastig. De provinciale coalitie heeft na vertrek van het CDA geen meerderheid in de Staten meer en hangt ook politiek uit het lood. De VVD vormt nu met GroenLinks, D66 en PvdA een monsterverbond dat zij niet wilde. Linksom of rechtsom moet steun worden gezocht en dat is een nooit eerder vertoond avontuur in de Brabantse politiek.

Hoe dan ook, klimaatbossen worden in Brabant een zaak van zeer lange adem. Daarom is het beter de aandacht alvast te richten op het landschap. De kaarten van Het Groene Woud in het PBLHoe dan ook, klimaatbossen worden in Brabant een zaak van zeer lange adem. Daarom is het beter de aandacht alvast te richten op het landschap. De kaarten van Het Groene Woud in het PBL-rapport laten ontluistering van het agrarische cultuurlandschap zien. Aan de hand hiervan is ook prima vast te stellen wat er nodig om deze schade te herstellen. -rapport laten ontluistering van het agrarische cultuurlandschap zien. Aan de hand hiervan is ook prima vast te stellen wat er nodig om deze schade te herstellen.

Hoe dan ook, klimaatbossen worden in Brabant een zaak van zeer lange adem. Daarom is het beter de aandacht alvast te richten op het landschap. De kaarten van Het Groene Woud in het PBL-rapport laten niet alleen de ontluistering van het agrarische cultuurlandschap zien. Aan de hand hiervan is ook prima vast te stellen wat er nodig om deze schade te herstellen.

Zoals gekanaliseerde Brabantse beken inmiddels weer kronkelen, kan ook het landschap van de Meierij stapsgewijs opnieuw worden aangekleed. Met kilometers nieuwe bomen en struiken die ook de kwaliteit van lucht en bodem verbeteren. Dit vergt doortimmerde plannen waar goede landschapsarchitecten voor nodig zijn.

Herstel van cultuurlandschap valt lokaal en (boven)regionaal te financieren met heffingen op projecten die bomen en ruimte opslokken, zoals woningbouw, aanleg van wegen en bedrijventerreinen, en stallenbouw.

Eis bijvoorbeeld voor iedere gekapte volwassen boom vier nieuwe bomen terug en compenseer elke te bebouwen hectare met een nieuw stuk bos. Ingewikkeld en duur? TreesForAll beschikt over een eenvoudig rekensysteem. Voor 25 euro gaan vier bomen de grond in, of wordt twee ton CO2 gecompenseerd. Dat wiel hoeft niet meer te worden uitgevonden.

Zo’n landschapsherstelproject vereist allereerst een goed samenspel tussen de provincie als regisseur, gemeenten, boerenbelangenbehartigers en natuurbeheerders.

Onmisbaar voor de uitvoering zijn bedrijven die beschikken over uitstekend kweekmateriaal en dat vervolgens zo aanplanten dat de jonge vegetaties lange droogteperiodes kunnen overleven. Nederlandse deskundigen passen zulke methodes al toe in de Sahara en in de binnenlanden van Spanje.

Zéér belangrijk bij dit alles is dat Brussel financieel meedoet. Want die nieuwe houtwallen en bomensingels langs akkers en weilanden hebben onderhoud nodig. Subsidie hiervoor uit de Europese landbouwkas kan een reguliere bron van inkomsten worden voor boeren die willen omschakelen naar natuurinclusieve landbouw. Dan snijdt het mes aan twee kanten.

Zo’n onderhoudsplan voor het landschap is eerder bedacht door Brabants Landschap ten tijde van de enorme ruilverkaveling Sint-Oedenrode, maar stuitte toen op Europese mededingingsregels. Nu Frans Timmermans in Brussel zijn Green Deal waar moet gaan maken, gloort perspectief.

Stukje bij beetje kan dan toch invulling worden gegeven aan ambities die grossieren in grote getallen maar realiteitszin ontberen. Dat moet ook. Bos en landschap zijn hard aan verversing toe. Want Brabant heeft zuurstof tegen ademnood nodig.

.

Megaslachter in Boxtel kan ongehinderd zijn gang gaan

BOXTEL- Vleesconcern Vion groeit alsmaar verder in Boxtel. Bij de megaslachterij op het bedrijventerrein Ladonk verrijst nu een vleesverwerkingshal van 12.000 vierkante meter. Een investering van 35 miljoen euro. Daar gaan straks maar liefst 600 arbeiders aan de slag. Dan werken er in totaal 2400 man bij Vion in Boxtel.

Daarmee wordt het vleesconcern een nóg grotere speler op Ladonk, waar ook zijn hoofdkantoor staat en het eigen transportbedrijf Distrifresh prominent rondrijdt. Dit proces van centralisatie is gaande sinds Vion, eigendom van de boerencoöperatie ZLTO, langs de rand van de afgrond scheerde. Het bedrijf had zich vertild aan de kostbare overname van een grote Britse vleesketen.

De slachterij van Vion langs de spoorlijn Boxtel-Eindhoven, gezien vanaf de Parallelweg-Zuid, de zuidelijke uitvalsweg van Boxtel.

Door fors in te teren op de reserves, winstgevende bedrijfsonderdelen te verkopen en zich volledig te concentreren op de slacht en verwerking van consumptievlees, wist Vion de enorme verliezen op te vangen. Het bedrijf maakt inmiddels weer winst, al steekt die mager af bij de omzet.

Dus moet er scherp aan de wind worden gezeild. De uitbreiding in Boxtel betekent inkrimping op andere bedrijfslocaties, zoals in Scherpenzeel en Valkenswaard. Omdat de plannen hiervoor forser uitpakken dan eerder gepland, zijn nieuwe vergunningen nodig. Zo heeft Vion eind augustus 2019 bij de provincie een natuurvergunning gevraagd.

Die vergunning laat op zich wachten. Want door het debacle met het Nederlandse stikstofbeleid dat de Raad van State mei dit jaar de grond in boorde, en de aanhoudende wanorde hierover, zijn ook in Brabant vrijwel geen natuurvergunningen meer verstrekt. De omgevingsdienst die hiervoor namens de provincie Noord-Brabant aan de lat staat, kampt met grote achterstanden.

De grote vleesverwerkingshal op het Vion-terrein in aanbouw

Ondertussen is Vion volop aan de slag gegaan. De vleesverwerkingshal is in aanbouw en een groot parkeerterrein aangelegd en in gebruik.

Mag dat zomaar?

Het vergt de nodige inspanning om dat te doorgronden. Want wetgeving hierover is ondoorzichtig. Om te mogen uitbreiden heeft Vion zowel een provinciale natuurvergunning als een gemeentelijke bouwvergunning nodig. Dat loopt via twee procedures die los van elkaar staan. Om te voorkomen dat de gemeente iets vergunt dat het natuurbelang schaadt, is vooraf toestemming nodig van de provincie.

Deze regel is volgens de gemeente in dit geval niet van toepassing. Want Vion heeft al een natuurvergunning die het alleen op ondergeschikte punten wil wijzigen. Dus krijgt het bedrijf op 3 september 2019 zijn bouwvergunning voor hal en parkeerterrein. Verwezen wordt verder naar de aanvraag voor een natuurvergunning die Vion 13 dagen daarvoor bij de provincie had ingediend. Vergezeld van het ‘nadrukkelijke’ verzoek om beide vergunningaanvragen ‘te ontkoppelen’.

Daarmee is voor de gemeente de kous af. Of er invloed is op de natuur, moet Vion zelf nagaan. Daar is de gemeente niet verantwoordelijk voor.

Het gemak waarmee dit gaat steekt schril af bij de aanhoudende overlast van de megaslachterij voor haar omgeving. Stank en lawaai zijn voor omwonenden aan de orde van de dag. Ook werden diverse Boxtelaren ernstig ziek van besmet afvalwater uit de slachterij. Vion voelde zich voor deze legionellabesmetting niet verantwoordelijk omdat het de waterzuivering heeft uitbesteed aan HydroBusiness, een dochteronderneming van Brabant Water.

Met een doorgroeiend Vion zal ook de overlast steeds verder toenemen, zo vreest actiegroep ‘La vie en rose’. Die organiseerde voorjaar 2019 een volkspetitie tegen Vion en haalde daarmee 1000 handtekeningen op van Boxtelaren die de doordringende stank van de slachterij beu zijn.

Onder invloed van deze protesten, spiegelde het gemeentebestuur bevolking en politiek een strengere aanpak van Vion voor. Tegelijk wees het de vele bezwaren tegen uitbreiding van het bedrijf als niet ter zake van de hand. De pap voor Vion was immers al eerder gestort: in 2009 en 2015 met vergunningen waarmee de slachterij haar productie kon verdubbelen naar 5.6 miljoen varkens per jaar.

Het industriële bedrijf – een uit haar krachten gegroeide varkenshouderij annex vleesverwerker – is nu zo groot en zo ingewikkeld dat het volgens de gemeente financieel onhaalbaar is om het nog te kunnen verplaatsen naar een groot stedelijk industrieterrein, waar het thuis hoort. Daarom blijft Boxtel meewerken aan verdere uitbreiding.

Slechts één bezwaarmaker vocht de grote sprong voorwaarts van Vion op Ladonk bij de bestuursrechter aan. Dat is een omwonende die pal tegenover de slachterij huist en zich ongerust maakt over zijn veiligheid als de koelinstallatie met 12.000 kilo zeer giftig ammoniak zou gaan lekken.

Hij sloeg hiermee de spijker op zijn kop: de gemeente Boxtel had te makkelijk aangenomen dat het met de veiligheid wel goed zat. De rechter greep direct in en schreef voor dat de ammoniakinstallatie op lagere temperaturen moet blijven werken, zodat een kleiner gebied risico loopt.

Bovendien gelastte hij aanvullend onderzoek naar de omstandigheden in de gevarenzone rond Vion. De brandweer ging alsnog bij de bezwaarmaker op huisbezoek en stelde vast dat de bewoners hier ‘voldoende zelfredzaam zijn’ om zich in geval van nood snel via hun tuin uit de voeten te maken, en daarmee te voorkomen dat ze dodelijk gif inademen. Tijdig gewaarschuwd door het Vionalarm dat volgens de gemeente binnen één minuut na de calamiteit zal loeien.

De rechter toonde zich tevreden over deze uitkomst en stond alsnog toe dat de woningen en bedrijfspanden binnen de gevarenzone rond de slachterij worden gedoogd. Behalve het huis van de bezwaarmaker, gaat het om het bedrijvencentrum de Baanderije (toen nog met Fotovakschool), en een destijds leegstaand restaurant met bovenwoning.

Ook de werkende mensen in de Baanderije kunnen zich bij een ammoniaklek volgens de brandweer prima redden. Mits ze vooraf goed zijn voorgelicht. Of dat zo is valt te betwijfelen.

Pal tegenover Vion (rechts van de spoorlijn) staat het bedrijvencentrum de Baanderije (zie de bebouwingsrand links van de weg) met daarachter woning en eetcafé.

De uitspraak van de rechter werd later in hoger beroep bevestigd door de Raad van State. Daardoor bleef de milieuvergunning van 2015 overeind zodat Vion 5,6 miljoen varkens kon gaan slachten. Zeer gunstig voor het vleesconcern. Anders had het binnen de gevarenzone panden moeten aankopen om de productie te kunnen opvoeren. Of, veel beter, een milieuvriendelijk koelsysteem moeten aanschaffen waardoor het ammoniakgevaar verdwijnt. Dit had de gemeente in 2015 met Vion kunnen regelen, maar dat gebeurde niet.

Pikant detail: de Fotovakschool is inmiddels vertrokken uit de Baanderije. Haar cursisten vonden de stank van Vion niet meer te harden. Het restaurant is na grondige verbouwing weer in gebruik als eetcafé. Dat staat inmiddels te koop.

Vaker blijkt dat het vleesconcern kan rekenen op coulance van het bevoegd gezag. Zo is ditmaal niets geregeld voor de huisvesting van 600 arbeidskrachten die er bij Vion in Boxtel bijkomen. Het vleesconcern betrekt deze mensen van uitzendbureaus die gespecialiseerd zijn in arbeidsmigranten. Maar allerlei panden in Boxtel puilen reeds uit met zulke werkers. Na een recente brand in zo’n woning, gaat de gemeente nu handhaven op maximaal vier mensen per pand. Met als bijkomend gevolg dat de huisvestingsproblemen nóg groter worden dan ze al zijn.

Gesproken wordt inmiddels over plaatsing van wooncontainers in de oksel van twee spoorlijnen die in Boxtel samenkomen. Dat stuit daar bij omwonenden al op bezwaren. Bovendien moeten zaken worden gedaan met de projectontwikkelaar die de grond in handen heeft. Dat is lastig, zo niet onhaalbaar.

De verleende omgevingsvergunning wordt bij de rechter aangevochten door huurders van het nabije wooncomplex Stapelen dat in de vuile wind van de slachterij staat. Zij vinden dat de gemeente geen toestemming voor uitbreiding mag geven zolang Vion zijn bedrijfsprocessen niet op orde heeft en blijft stinken. De volcontinu productie van de slachterij stelt hoge eisen aan de kwaliteit van installaties, onderhoud en personeel die lastig zijn in te vullen. Overbelasting ligt op de loer.

Hangende het beroep van de bewoners blijft de vergunning van kracht. Vion kan dus doorbouwen tot de rechter heeft gesproken. Op eigen risico, dat weloverwogen wordt genomen. De vleesverwerker waant zich juridisch ijzersterk en niet zonder reden.

Maar is Vion ook immuun voor de stikstofcrisis? Dat staat te bezien.

De natuurvergunning van 2010 liet toe dat de Kampina zwaarder wordt belast met stikstof. En dat terwijl de heide en vennen in dit Europees beschermde natuurgebied, op een steenworp afstand van de slachterij, al jarenlang worden geteisterd door een overmaat aan stikstof die als een deken over Midden- en Oost-Brabant hangt. Deze slechte milieukwaliteit ondermijnt het effect van herstelwerk als plaggen en uitbaggeren die eigenaar/beheerder Natuurmonumenten in de Kampina periodiek laat uitvoeren. Dat is dweilen met de kraan open.

Het provinciebestuur concludeerde in 2010 dat de minieme hoeveelheid stikstof die Vion produceert ‘geen waarneembare effecten’ op de Kampina sorteert. Het gaat hier om de ammoniakuitstoot van varkens die in het voorportaal van de slachterij op hun einde wachten. Deze uitstoot valt niet te vergelijken met die van veehouderijen. Want Vion treft immers allerlei stikstofbeperkende maatregelen, zo wordt in de vergunning benadrukt.

Bij de volgende uitbreiding in 2015 belast het bedrijf de Kampina met de dubbele hoeveelheid stikstof. Maar de provincie concludeert dat er juist sprake is van een daling zodat de natuurvergunning probleemloos kan worden verleend. Want de vergunning uit 2010 bood Vion bij nadere becijfering drie keer zoveel stikstofruimte als eerder aangegeven.

Er was nóg een meevaller. Vion vroeg de natuurvergunning van 2015 op 1 mei dat jaar aan en kreeg 30 juni groen licht. Dat is één dag voor invoering van de Programmatische Aanpak Stikstof, inmiddels wijd en zijd bekend als de PAS die dit jaar sneuvelde bij de Raad Van State.

Voordeel daarvan voor Vion was dat zijn natuurbelasting volgens een oude methode kon worden berekend. Niet meegenomen werden de stikstofeffecten van het verkeer op de uitvalswegen naar het bedrijf Dat gaat om grote aantallen veewagens die zes dagen per week, dag en nacht naar het slachthuis pendelen. Naar hun belasting van de Kampina blijft het gissen.

De conclusie dringt zich op dat Vion zijn natuurvergunning van 2015 cadeau kreeg van de provincie.

Dit besluit werd niet beoordeeld door een rechter omdat geen natuur- en milieuorganisatie in beroep ging. Ook niet Natuurmonumenten en de Brabantse Milieufederatie (BMF) die later wel met succes een megavarkenshouderij aan de Oirschotse zijde van dit natuurgebied wisten tegen te houden.

De uitspraak in die zaak baarde opzien. De rechtbank Oost-Brabant bepaalde daarin dat een eenmaal verleende natuurvergunning niet onaantastbaar is als zij stoelt op onjuiste gegevens. Bij het Oirschotse megabedrijf lijkt het daar sterk op. Daarom moet het provinciebestuur van de rechter opnieuw beoordelen of deze vergunning toch niet moet worden ingetrokken, zoals Natuurmonumenten en de BMF willen.

Deze zaak doet denken aan de natuurvergunning van Vion uit 2015 die vergelijkbare mankementen vertoont.

Vier jaar later, op 23 augustus 2019, verschijnt de Vion-vergunning ineens als ‘gewijzigd’ op de provinciale website Brabant.nl. De omgevingsdienst noemt dit desgevraagd ‘een administratieve handeling zonder (juridische) betekenis’.

Juist een dag eerder, op 22 augustus, kwam het bedrijf met een aanvraag tot wijziging. Die laat zien dat Vion de nieuwste stikstofregels wil ontlopen. Het bedrijf beroept zich hiervoor op de vergunning van 2015. Dan hoeft ook de stikstofuitstoot van het eigen verkeer op de uitvalswegen niet te worden meegerekend. Terwijl het aantal vervoersbewegingen verdrievoudigt met de komst van 600 extra arbeiders, voornamelijk arbeidsmigranten.

Ondertussen is de vleeshal voluit in aanbouw. De omgevingsdienst weet dit al sinds half oktober, maar treedt niet op. Dit betekent doorgaans dat binnenskamers al is uitgemaakt dat Vion zijn natuurvergunning zal krijgen. De provincie bevestigt dit beeld in het Boxtelse nieuwsblad Brabants Centrum van 21 november: het mag niet, maar we laten Vion begaan.

‘Zodra de aanvraag ontvankelijk is, zullen wij een ontwerp-beschikking ter inzage leggen, waarop een ieder zijn zienswijze kan geven’, schetst de omgevingsdienst de formele procedure. Tot dat moment is er niets om eventueel bezwaar tegen te maken, laat staan om met enige kans van slagen de bouw door de rechter subiet stil te laten leggen.

De rechtsbescherming is hier ver te zoeken.

Zo trekt Vion aan het langste eind, zonder een vinger voor de natuur uit te steken. Ook dit stikstof producerende bedrijf zou in de huidige crisistijd een bijdrage moeten leveren aan natuurverbetering. Door bos aan te leggen of een varkensboer met een verouderd bedrijf uit te kopen. Het grote Vion kan daarin tot voorbeeld zijn voor anderen. Maar dat zit er niet in.

De huidige opstelling bevestigt het imago van een bedrijf dat zich weinig aantrekt van zijn omgeving. Terwijl Vion laatst toch wakker schrok van allerlei negatieve publiciteit. Dat leidde onder meer tot een charmeoffensiefje, met zelfbetaalde columns van de bedrijfsdierenarts Derk Oorburg in twee Boxtelse weekbladen. Dat deze arts bij Vion ook directeur is bleef hierbij onvermeld. Zijn goedgevoelcolumns maakten weinig indruk.

Vergezicht op de zuidrand van Boxtel, met van links naar rechts de Vionslachterij , de contouren van het bedrijvencentrum de Baanderije en de toren van het achtergelegen wooncomplex Stapelen

Vion heeft dan ook een forse kloof naar de samenleving te overbruggen. Het massieve fabriekscomplex dat het aanzicht van de zuidelijke dorpsrand devalueert, is nu eenmaal het ongure sluitstuk van de doorgeslagen intensieve veehouderij in Brabant. Geen mens wil weten wat zich afspeelt in de slachterij, uitgezonderd dierenactivisten die Vion regelmatig op de korrel nemen.

Het bedrijf moet dus zelf een brug zien te slaan naar de Boxtelse bevolking en specifiek naar omwonenden die veel last hebben van de slachterij. Dat vereist initiatief. De kans om rechtstreeks in gesprek te gaan met huurders van Stapelen over hun zwartboek, liet de bedrijfsleiding onbenut.

Maar er is een lichtpuntje. De vaste adviseur van Vion, het bureau Witteveen+Bos, doet onderzoek naar oorzaken en oplossingen van de stankoverlast. Dat gebeurt op aandringen van het gemeentebestuur met als doel dat ‘Boxtel Vion niet meer ruikt’. Het onderzoek wordt begeleid door een klankbordgroep met daarin ook omwonenden. Daar kan in ieder geval een gesprek op gang komen.

Ondertussen hield Vion half november in Boxtel een symposium over de toekomst van de agrifoodbranche, samen met de gemeente. ‘Meer boeren, minder vee’, pleitte de Wageningse oud-hoogleraar Michiel Korthals daar voor ‘afbouw van de veestapel’. Zijn verhaal staat bol van cijfers die de noodzaak van een ommezwaai illustreren. Maar over zulke heikele materie ging het deze namiddag in het hol van de leeuw verder niet.

Buiten het Vionkantoor werd gewerkt aan de grote vleeshal. Daar ging het binnen ook niet over.

De uitzondering als regel betekent schijnveiligheid

De almachtige bureaucratie in dit land is uitermate bedreven in het opstellen van regels en nóg vindingrijker in het bedenken van uitzonderingen daarop.

Dat bleek mij weer eens tijdens een speurtocht door de jungle van normen en voorschriften die de mens in onze dichtbevolkte natie zouden moeten beschermen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.

We hebben het hier over Bevi en Revi. Speelse namen voor de wondere wereld van kansbenadering en risicocontouren.

De uitgangspunten zijn helder.

Er zijn kwetsbare objecten waar frequent veel (kwetsbare) mensen aanwezig zijn, zoals scholen en ziekenhuizen. Daar is bij ongevallen grote kans op slachtoffers en daar moeten gevaarlijke bedrijven uit voorzorg uit de buurt blijven.

Dan zijn er de beperkt kwetsbare objecten waar minder mensen minder vaak verblijven: van sporthallen en speeltuinen tot verspreide woningen. Dit is het speelveld van de uitzonderingen, waar het bevoegd gezag zoals dat heet ‘eigen afwegingen’ moet maken bij aanvragen voor milieuvergunningen.

Zelden komen er in Nederland nog nieuwe gevaarlijke bedrijven bij. Niemand wil ze in de buurt hebben. De enorme mestfabriek die in Oss op stapel staat, stuit behalve op hevige lokale tegenstand inmiddels ook op de stikstofcrisis.

De bulk van Bevi en Revi zijn bestaande bedrijven die met giftige en brandbare stoffen werken en willen uitbreiden. Zoals de megaslachterij in Boxtel waar Vion de productie heeft verdubbeld. Meer vlees moet daardoor worden gekoeld met meer vloeibaar ammoniak en dat vormt een groter risico voor de buren aan de overkant. Dat zijn mensen die binnen de directe gevarenzone van de slachterij werken en wonen. De uitbreiding van Vion kan dan alleen doorgaan als de gemeente dat volgens Bevi en Revi ‘voldoende motiveert’.

Hoe gaat zoiets? De brandweer beoordeelt de situatie. Enkele citaten van de bevindingen: in het bedrijfsverzamelgebouw bevindt zich een relatief klein aantal mensen dat beschikt over een grote zelfredzaamheid, het gebouw is voldoende luchtdicht en heeft voldoende vluchtwegen; ook het restaurant heeft een vluchtmogelijkheid; de woning biedt in voldoende mate bescherming, de bewoners zijn voldoende zelfredzaam en hebben een vluchtmogelijkheid via de tuin.

Kortom: de vergunning kan worden verleend. Vion is nog verplicht om de buren aan de overkant te informeren hoe zij worden gealarmeerd en hoe zij moeten handelen bij een ammoniaklekkage.

En dat is het dan. Controle en handhaving van de regels kunnen de veiligheid nog wat bevorderen. Maar dit is een ander hoofdstuk dat in het algemeen niet vrolijk stemt.

Wat betekent dit nu als zich bij Vion een ramp voltrekt? Weinig, durf ik te voorspellen. Je mag vooral hopen dat er dan weinig mensen in de buurt zijn, ook binnen de slachterij zelf. Dat er op dat moment geen volle passagierstrein of een goederentrein met gevaarlijke stoffen voorbij rijdt. Want de slachterij staat langs een van ‘s lands drukste spoorlijnen. Hopelijk functioneert de alarmering en is de brandweer er op tijd bij. Dan blijft de schade misschien beperkt.

Dit voorbeeld illustreert dat Bevi en Levi in praktijk vooral een vehikel zijn om gevaarlijke bedrijven op basis van bureaucratische schijnveiligheid te kunnen laten doorgroeien. De regel dat dit uit voorzorg niet mag, wordt uitgehold door hiervan veelvuldig af te wijken. De uitzondering wordt daarmee regel en dat is niet goed.

Hoe superonderzoek naar Alzheimermedicijn flopte

DEN BOSCH – Het klinkt in de lente van 2019 allemaal zeer overtuigend. Klinisch geriater Paul Dautzenberg voorspelt op 6 april in het Brabants Dagblad dat Alzheimer, de alom gevreesde hersenziekte, over 20 jaar met medicijnen te genezen zal zijn. ,,Wij zitten er zó dichtbij”, schetst hij het lonkend perspectief in de strijd tegen dementie.

Het interview met de voorman van het kersverse Brain Research Centrum (BRC) in Den Bosch, geopend door Brabants commissaris van de koning Wim van de Donk, past naadloos in een landelijke campagne om gezonde ouderen te werven voor een grootscheepse test van medicijnen die afbraak van de hersenen zouden kunnen voorkomen.

Het optimisme van Dautzenberg en zijn collega’s van het hoofdcentrum in Amsterdam werkt aanstekelijk, want liefst 1300 potentiële proefpersonen melden zich aan. Onder hen de schrijver dezes, die binnen zijn familie het nodige dementieleed heeft meegemaakt. Het gevoel van plichtsbesef ontwaakte dat je als individu een wezenlijke bijdrage kunt leveren aan de doorbraak naar een geneesmiddel waar onze kinderen straks voluit van zouden kunnen profiteren in hun strijd tegen het verval.

Slechts vijf dagen na het interview met Dautzenberg meldt The New England Journal of Medicine, toonaangevend tijdschrift in de wereld van de geneeskunde, dat het internationale onderzoek naar het beoogde wondermiddel waar het BRC aan deelneemt, op dood spoor zit. Een specifiek medicijn dat de veronderstelde oorzaak van Alzheimer moet aanpakken, blijkt het geheugen juist sterker aan te tasten.

Voormalig verpleeghuisarts Bert Keizer wijst op deze Amerikaanse publicatie in zijn column van 26 april in dagblad Trouw. ,,Helaas kan ik hernieuwd bevestigen dat er niets, maar dan ook helemaal niets helpt tegen alzheimer en dat er zelfs niets gloort aan de horizon”, weerspreekt hij het optimisme van de Bossche geriater.

Als specialist ouderengeneeskunde is Keizer hier beter bij de les dan de breinbazen van het Brain Research Centrum, die dan nog volop de grote trom beroeren. ‘Schrijf geschiedenis! Doe mee aan dit grootschalig onderzoek naar Alzheimer. Meldt u aan’, jubelt hun website. Drie maanden lang gaan de voorbereidingen door alsof er niets aan de hand is en worden verwachtingen gewekt die berusten op drijfzand. De Zwitserse farmaceut Novartis, opdrachtgever en financier van het onderzoek, maakt pas op 11 juli bekend dat het de stekker trekt uit het zogeheten Generationprogramma.


Dertienhonderd gezonde mensen hebben zich dus voor niets opgeworpen als proefkonijn voor wat slechts één medicijn bleek te zijn, het beoogde wondermiddel CPN520. Dautzenberg maakte in het interview van 6 april bepaald niet duidelijk dat hier louter op één paard werd gewed.

Navraag leert dat er geen andere middelen in opkomst zijn die Alzheimer kunnen voorkomen. Het BRC test thans louter medicijnen die dementie mogelijk kunnen afremmen. Daarvoor worden ouderen met beginnende Alzheimer via advertenties benaderd. Ook dat gebeurt in opdracht en op kosten van de farmaceutische industrie.

Het centrum blijft ondertussen optimisme uitstralen, ondanks de vernederende ervaring met Novartis. ,,Ik kreeg ‘s avonds een appje. Kon het niet geloven. Dit was zo’n vooruitstrevend onderzoek waar we echt onze nek voor uit hebben moeten steken. We behandelden tenslotte gezonde mensen. Ik was er ziek van”, tekent Brabants Dagblad 27 juli 2019 op uit de mond van neuroloog Niels Prins.

De directeur van het BRC Amsterdam legt uit dat de farmaceutische kaarten nu worden gezet op een cocktail aan medicijnen die de ziekte moeten afremmen. Hij zegt te geloven dat het binnen tien jaar zover is.

Dautzenberg meldde in april nog precies te weten welk eiwit voor alzheimer zorgt. ,,Als je dat bij je draagt, krijg je het op den duur ook. Net als bij kanker, je draagt het bij je tot het uitzaait”. Deze waarheid is overigens bepaald niet eenvoudig vast te stellen, zo leert een toelichting achteraf van het onderzoekscentrum.

De deelnemers aan het generationonderzoek moesten zes tot zeven teststadia doorlopen om zich als proefkonijn te kwalificeren. Wie die grondige voorbereiding doorstaat en daarmee alzheimergedoemd is, mag de eiwitoplosser CPN520 langdurig (vijf tot acht jaar) op zichzelf gaan uitproberen. Maar zover kwam het niet.

Prins spreekt later over ‘andere eiwitten en een ontsteking in het brein’, als de boosdoeners waarop het vizier wordt gericht. ,,Stoppen met onderzoek is geen optie.” Zolang de farmaceutische industrie tenminste de kosten hiervan blijft betalen. Anders is het ook einde oefening met het Brain Research Centrum. Dat is niet op aarde voor de doorsnee patiënt. Die is aangewezen op de beperkingen van de ziektekostenverzekering die hooguit tests voor oppervlakkige diagnoses vergoed, plus vier medicijnen die fragmentarisch helpen tegen Alzheimer.

Het optimisme van Dautzenberg en Prins ontbeert tastbare wapenfeiten. In het Alzheimeronderzoek rijgen tot dusver vooral decepties zich aaneen. Half maart 2019 staakte de Amerikaanse farmaceut Biogen een gevorderd onderzoek naar aducanumab, een zelfde type geneesmiddel als CPN520. Dat had de opeenhoping van eiwit in het brein moeten bestrijden maar bleek geen effect te sorteren. Ook ditmaal werd geen geschiedenis geschreven.

Prins ventileerde ook toen grote teleurstelling, richting de patiënten die aan het onderzoek meededen en de patiënten van morgen die gehoopt hadden op een medicijn. ,,Weer een bewijs dat bemoedigende resultaten in het begin geen garantie geven op een positief vervolg. Ontwikkeling van geneesmiddelen voor de ziekte van Alzheimer is een taaie, langdurige en moeilijke kwestie”, luidt de beproefde disclaimer.

Mocht het wondermiddel er niettemin komen, dan is het nog maar de vraag of dat betaalbaar en daarmee bereikbaar zal zijn voor de steeds grotere groep ouderen die aan dementie gaat lijden: naar schatting een half miljoen Nederlanders in 2040. De fortuinlijke fabrikant die deze race tegen klok wint, wil zijn investeringen natuurlijk dubbel en dwars terugverdienen.

Dat gaat in de gezondheidszorg om grote bedragen. Zo moet een Nederlandse vinding tegen reuma 10.000 euro per patiënt per jaar opbrengen. Producent Galapagos genereert hiermee naar schatting een jaarlijkse omzet van vier miljard euro, zo meldt NRC Handelsblad eind maart. Euforie alom op de beurs waar het biotechbedrijf met alleen een gelikte promotie zijn waarde inmiddels tot dik acht miljard euro heeft weten op te krikken. Speculanten vullen hun zakken al, terwijl het bewuste medicijn nog altijd niet verkrijgbaar is.

Bij Biogen daarentegen kelderden de aandelen als reactie op het gestaakte onderzoek naar aducanumab. Eind oktober kondigde de farmaceut aan het middel toch op de markt te willen brengen, te beginnen in de Verenigde Staten. Bij nadere analyse van meer patiënten bleek het wél effect te sorteren.

In Nederland was dit meteen groot nieuws. De voormannen van het Alzheimercentrum Amsterdam, Philip Scheltens en Niels Prins, etaleerden in de talkshow van Jeroen Pauw vooral hun vreugde. Maar de Nijmeegse alzheimerspecialist Marcel Olde Rikkert betwijfelde in NRC Handelsblad nadrukkelijk of ‘dit het langverwachte middel is’. De ommezwaai van Biogen noemde hij ‘raadselachtig en nog nooit vertoond’. Hij vermoedt dat bedrijfseconomische belangen hier voorop staan. En inderdaad: de aandelen van Biogen zijn weer omhoog geschoten.

Onder druk van het grote geld dreigt de publieke gezondheidszorg voor steeds meer mensen onbetaalbaar te worden. Opname van allerlei kostbare middelen in het basispakket lijkt nog alleen mogelijk als premies en/of eigen risico verder omhoog gaan.

Vooraanstaande artsen als Dautzenberg en Prins en de ziekenhuizen (Jeroen Bosch en UMC) waaraan zij zijn verbonden, helpen daar een handje aan mee door zich te verhuren aan fabrikanten voor het testen van medicijnen. Zoals medische wetenschapscentra, gefinancierd met gemeenschapsgeld, ook knappe koppen inschakelen bij het daadwerkelijk uitvinden van geneesmiddelen waarmee de farmaceutische industrie vervolgens ongebreideld kan cashen.

Elke regulering voor dit samenspel lijkt te ontbreken. Regering en parlement komen in actie bij incidentele uitspattingen, maar houden het mechanisme van de vrije marktwerking in de gezondheidszorg in stand.

Neuroloog Prins ziet het juist als een plus dat geen belastinggeld verdwijnt in de bodemloze put die het Alzheimeronderzoek volgens critici is. Zulke kritiek doet hij in het Brabants Dagblad af als ‘facebookgeneuzel’. Want de fabrikanten betalen immers nagenoeg alles. Juist dát geeft te denken, kijkend naar de opkomst en ondergang van het generationonderzoek.

De geschetste afloop maakt het onwaarschijnlijk dat het Brain Research Centrum binnenkort nog eens 700 gezonde ouderen als langdurig proefkonijn nodig heeft. Mocht dat er alsnog van komen, dan stemt een nieuw avontuur met de medicijnindustrie vooraf tot diep nadenken.

De ultieme pionier

Twee weken voor zijn dood, heb ik Sietz Leeflang op 7 december 2017 nog in levende lijve gezien en gesproken. Hij lag in bed in de woonkamer, thuis in Breskens. Zijn krachten namen af. Sietz maakte zich geen illusies meer: spoedig zou het gedaan zijn.

Maar dat was geenszins de atmosfeer van het imposante gesprek dat volgde. Want met de weerbarstige wereld van de zinloze verspilling en fnuikende schaalvergroting was Sietz bepaald niet klaar. Daar had hij nog een stevige appel mee te schillen. Glashelder formulerend en haarscherp analyserend met een overdonderende reeks feiten uit zijn ijzersterke geheugen, nam hij de vele ongerechtigheden op deze aardbol uitgebreid en onvermoeibaar op de korrel.

Met zijn gehoor vastgepind op de stoelen aan het voeteneinde. Met één kat bovenop zijn kussen en de ander al even onverstoorbaar naast zich op bed. Een tafereel om nooit te vergeten.

Optimistisch waren zijn waarnemingen bepaald niet, maar zwartgallig evenmin. Want er blijft hoop. Eens komt de verandering ten goede. De wal zal het schip keren. Dit kan zo niet doorgaan. Hier sprak voor het laatst de milieupionier die gewend is tegen de stroom in te roeien, tegen de gevestigde krachten op te boksen, vanuit het ijzersterke geloof in de kracht van zijn gelijk.

Sietz stelde zijn leven en dat van zijn gezin in dienst van het ultieme pioniersbestaan waarin hij moedig en moeizaam een straatlengte voor de troepen uit liep. En zeker ook met succes. Hij reed al rond in een elektrische auto toen Elon Musk nog op school zat. Wie kent in Breskens en omgeving niet de met joekels van batterijen volgestouwde overjarige Peugeot 205 waarin Sietz ook als 80-plusser nog rondtufte, geruisloos en broeikasgasvrij? Wél met de vouwfiets achterin. Voor als de stroom op was.

Musk is een handige zakenman die nu met veel bombarie de wereld denkt te veroveren met de Tesla. Een dure elektrische auto met batterijen die weliswaar sterk zijn verbeterd, maar in hun vermogen worden begrensd door de harde natuurkundige wetten. Sietz legde dat twee weken geleden nog eens haarfijn uit. Batterijen zijn daarom niet in staat de overmaat aan energie op te slaan die windmolens en zonnepanelen produceren als het waait en de zon schijnt. Daar zijn andere technieken voor nodig.

De batterijrevolutie die Musk de wereld voorspiegelt is een luchtkasteel. Dergelijke bedriegerij past volgens Sietz in het lachwekkende rijtje van zogenaamde uitvindingen waar sloten subsidiegeld naar toe blijven gaan zonder resultaat te boeken.

Handige jongens met een neus voor geld verdienen. Dat is niet de wereld van Sietz Leeflang. “Ik verwijt mijzelf dat ik niet zakelijk genoeg ben geweest en niet wat commerciëler gedacht heb”, zei hij in een interview dat ik voorjaar 2013 met hem had, met het oog op zijn 80ste verjaardag. ,,In mijn naïviteit – sprak hij – heb ik mij met het helofytenfilter en de infraroodstraler de kaas van het brood laten eten door De Efteling en de Gasunie, die ik te goeder trouw had benaderd om zaken met ze te doen.” Het Brabantse attractiepark maakt nog steeds goede sier met het waterzuiverende plantenfilter en de gasindustrie gebruikt de keramische infraroodstraler in verwarmingsketels die daarmee een stuk zuiniger zijn. Vrijwel alle Nederlandse huizen worden nog steeds met deze hoogrendementsketels verwarmd.

Sietz verweet de twee bedrijven met zijn vindingen aan de haal te zijn gegaan, hem met lege handen achterlatend. Dat was des te schrijnender aangezien hij het geld niet had om certificaten voor zijn twee topvindingen te kunnen krijgen. Daardoor kon hij ze zelf niet gaan produceren. ,,Hadden wij een fractie van de maatschappelijke winst van onze vindingen kunnen incasseren, dan was De Twaalf Ambachten nooit in financiële problemen gekomen”, constateerde hij ietwat bitter.

Dat Sietz met zijn missie vaak een roepende in de woestijn was, beschouwde hij als een gegeven. ,,Milieuvraagstukken waren al niet populair toen ik nog als wetenschapsredacteur voor het Handelsblad schreef”, stelde hij vast in het kranteninterview van 2013.

Twee weken geleden spraken we ook nog over de stand van de journalistiek. Op het tafeltje naast zijn bed lag de Provinciaal Zeeuwse Courant. Die las hij hij nog steeds, al ergerde hij zich aan de oppervlakkige gezelligheid die degelijke journalistiek uit de regio steeds verder verdringt.

In 2008 nodigde ik Sietz uit voor een discussiemiddag in Den Bosch over de teloorgang van de regionale journalistiek. Hij kwam ervoor uit Breskens om solidariteit te tonen met de strijd die de Brabantse krantenredacties daartegen toen voerden. Het heeft helaas niet veel geholpen. Nota bene op 7 december werden nieuwe inkrimpingen aangekondigd op de redacties van alle regionale kranten in Zuid- en Oost-Nederland. Wat blijft er op deze manier over van het mooie vak dat Sietz bleef koesteren en zelf nog vaardig bedreef in nieuwsbrieven boordevol wetenswaardigheden?

Voor diepgang is er gelukkig nog De Groene Amsterdammer. Dat Sietz op 14 december pas na lezing van de laatste uitgave van zijn lijfblad het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde, is tekenend voor zijn wilskracht en gedrevenheid.

Anderhalve week geleden heb in een gesproken column nog gememoreerd hoe Sietz in 2010 het boek ‘Vierduizend jaar kringlooplandbouw’ van de Amerikaanse professor Franklin King na 100 jaar een tweede leven gaf.

Met zijn Nederlandse vertaling en bewerking maakte hij van dit belangwekkende werk een actueel tijdsdocument. Onze eigen uitwerpselen, die wij dagelijks met liters kostbaar drinkwater het riool in laten lopen, werden in China, Japan en Korea tientallen eeuwen lang ingezameld en afgevoerd in vaten, en uiteindelijk als compost weer uitgestrooid over de akkers. Deze kringlooplandbouw voorzag honderden miljoenen mensen van goed voedsel. De hygiëne stond daarbij hoog in het vaandel. Het water in de Chinese rivieren was veilig te drinken. De natuur werd niets tekort gedaan.

Sietz hoopte nog steeds op een revival van de reeds lang weggevaagde kringlooplandbouw. Zijn waterloze composttoilet, beter bekend als het Nonolet, zou daar een mooie bijdrage aan kunnen leveren. Mits het verder wordt doorontwikkeld voor de consumentenmarkt. Maar komt dat er nog van, nu ook de grote roerganger er niet meer bij is?

Met de onafwendbare dood in het vizier maakte Sietz zich grote zorgen over behoud van zijn nalatenschap. Gelukkig wil het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) in Den Bosch het Twaalf Ambachten-archief in zijn collectie opnemen. Daarmee blijft het levenswerk van Sietz tot in lengte van jaren bewaard én toegankelijk. Na het materiaal hier in Breskens te hebben bezien, kon archivaris Ton van Nooijen hem met dit verheugende nieuws geruststellen. Daarmee werd die mooie ontmoeting op 7 december ook van historische betekenis.

Op grond van allerhande documenten valt straks ook voor volgende generaties nog te doorgronden waarom Sietz Leeflang als een bevoorrecht mens van ons is heengegaan.

(uitgesproken tijdens de uitvaartdienst van Sietz Leeflang op 20 december 2017 in Breskens)

Kak met rozijnen

Mest is een zwaarmoedig verhaal voor bij de centrale verwarming en onder de kerstboom. Met de gigantische hoeveelheid uitwerpselen van het in oorsprong zo aardse varken is ook in Oss veel stront aan de knikker. De provinciale politiek wil Europa’s grootste mestfabriek bij u rectaal gaan injecteren. Dat is kak met rozijnen, oftewel humbug: een schijnvertoning.

En mocht het toch misgaan dan moet u het voorbeeld maar volgen van uw eigen arbeiders bij Unox. Zij hebben goed laten zien dat harde actie soms ook in het poldermodel nodig is om resultaat te bereiken.

Hoe u dat kunt?

Door een georkestreerde vleesstaking. Stop in ieder geval met het kopen van bulkvlees. Dat is een zinvolle actie tegen de oorzaak van alle ellende: de industrialisatie van de intensieve veehouderij. Maar lang niet voldoende, want de varkensbaronnen verdienen hun geld met de vleesexport en worden steeds groter – niet gehinderd en zelfs gehólpen door overheidsbeleid.

Zo verkoopt grootboer Bert Rijnen uit Oirschot al enige tijd energie uit mestvergisting als groene stroom. Dat willen veel meer boeren. ‘Wij hebben een oplossing voor het klimaatprobleem ’, roept de agrarische lobby, om geld te verdienen aan mest als duurzame energie, en zo de veehouderij in leven te houden. En al met enig succes, want Greenchoice levert ook bruine energie tegenwoordig als écht groene stroom . En deze zelfbenoemde kampioen duurzame energie werkt nu zelfs aan een netwerk van biogasinstallaties dat de landelijke stroomvoorziening mede op peil moet houden als de windmolens stilstaan en de zon niet schijnt. Onder het motto: alles beter dan kolen en gas. Ik vind het groenwassen van bruine energie een vorm van volksverlakkerij .

U merkte het al even , dames en heren, je kunt taalkundig veel met de grote boodschap. Zolang je het zielloze woord mest maar vermijdt. Mestquotum, mestboekhouding, mestinjecteur, mestspecie. Je wordt er schijtziek van. Het mesthuwelijk, daar worden zelfs boerenbruid en -bruidegom niet poepgeil van. En dan praat ik geen kak.

Bladerend in het woordenboek kwam ik deze week tot een speelse omschrijving van het mestoverschot: ‘hele grote kak in een klein potje’ . Eerlijker in ieder geval dan de steriele term waarmee het boerenfront ons jarenlang stront in de ogen heeft gestrooid. Daarin onvervroren gesteund door het Haagse agrarische motorblok van CDA en VVD, in de loop der tijd voorzien van een parlementaire meerderheid door LPF, PVV, SGP en helaas vaak ook de sympathieke ChristenUnie.

Versplinterd links heeft daar weinig tegenin kunnen brengen, vooral ook door gebrek aan belangstelling voor de veeteelt. Onze nationale politieke elite komt uit de Randstad, waar de veehouderij is verdrongen door beton en asfalt en de melk uit de fabriek komt. Ik ben benieuwd hoe de agrarisch onbevlekte minister van landbouw Carola Schouten van de ChristenUnie , het megavarkentje gaat wassen.

Lukt haar dit niet, dan zakt Nederland met de intensieve veehouderij steeds verder in de drek.

Ver weg zijn de tijden van de kringlooplandbouw, waarmee de Chinezen kans zagen om maar liefst 40 eeuwen achtereen honderden miljoenen mensen te voeden. Massa’s kleine boeren wisten van generatie op generatie hun akkers vruchtbaar te houden via wisselteelt en groenbemesting, maar vooral ook met menselijke pies en poep. Vee en dierenstront waren schaars.

Onze uitwerpselen, die wij dagelijks met liters kostbaar drinkwater het riool in laten lopen, werden destijds ingezameld en afgevoerd in vaten, en uiteindelijk als compost weer uitgestrooid over de akkers. De hygiëne stond daarbij hoog in het vaandel. Het water in de Chinese rivieren was veilig te drinken. De natuur werd niets tekort gedaan.

Begin 1900 zag de Amerikaanse professor bodemkunde Franklin King dit hoogontwikkelde systeem, dat toen al op zijn eind liep, tijdens een reis die hij door Oost-Azië maakte. Het prachtige boek dat deze King vervolgens schreef over 4000 jaar kringlooplandbouw, verdween in de vergetelheid. Maar kreeg gelukkig in 2010 een tweede leven.

Met zijn Nederlandse vertaling en bewerking maakte Sietz Leeflang van dit belangwekkende werk een actueel tijdsdocument. Voormalig wetenschapsjournalist Leeflang werd nationaal bekend als ecologisch pionier en uitvinder in Boxtel. Eerst met De Kleine Aarde en later met De Twaalf Ambachten. Ik noem zijn naam hier met eerbied, terwijl hij de dood diep in de ogen kijkt. Gelukkig zal Brabant hem niet vergeten.

Sietz Leeflang hoopt nog steeds op een revival van de kringlooplandbouw. Zijn water- en reukloze toilet zou daar een mooie bijdrage aan kunnen leveren. Het binnenwerk van dit zogeheten Nonolet is een emmer met een geperforeerde plastic zak waarin de stront na elke boodschap met papier wordt afgedekt. Als de poepzak na een maandje vol is gaat hij met het groenafval mee.

Deze bonkige uitvinding van Leeflang uit 2001 is een uitkomst voor boot of tuinhuisje, maar helaas nog niet doorontwikkeld voor een meer geciviliseerde omgeving. Dat is een mooi klusje voor onze Dutch-design specialisten in Eindhoven.

U zult zeggen, wat lul je nou over een onsmakelijke utopie, terwijl wij in Oss straks een half miljoen ton varkensstront over ons heen krijgen. Dat is waar. Maar het is toch vreemd dat wij allen hardnekkig veel water, energie en geld blijven verspillen aan het industrieel dumpen van onze eigen uitwerpselen. Terwijl wij ons tegelijkertijd met hand en tand verzetten tegen industriële bewerking van dierlijke mest die wél wordt hergebruikt.

Zo bezien is de boer duurzamer bezig dan de burger.

Juist daarom is het van groot belang om ons duchtig te bezinnen op het ongebreidelde consumentisme waarmee de aarde wordt opgebruikt. Want de tijd is toch wel voorbij dat wij alsmaar hoger kunnen blijven kakken dan ons eigen gat.

(Uitgesproken in politiek café Zout op 10-12-2017)

Een vlammend bestuurder

Mijn eerste herinneringen aan Hans Huijbers gaan terug naar de roerige tijden van het roemruchtige streekplan 1992, waar ik als provincieredacteur van Brabants Dagblad verslag van deed.

De Brabantse boeren komen massaal in opstand tegen de overheidsbescherming van natuur en landschap die hen de kop zou gaan kosten. Dit is in praktijk overigens reuze meegevallen. De echte klappen voor de veehouderij kwamen pas later.

De flamboyante melkveehouder uit Wintelre dirigeert een nimmer vertoonde armada aan tractoren naar het provinciehuis in Den Bosch.Wat volgt is een langdurige loopbaan als agrarisch bestuurder die hem de hoofdprijs in deze tak van sport brengt: voorzitter van de Brabantse boerenbond, niet meer zo machtig maar nog immer invloedrijk.

In deze prachtige hondenbaan krijgt Huijbers negen jaar lang onvoorstelbaar veel voor de kiezen. Want de gouden tijden van weleer zijn voorbij. De veesector krimpt, het aantal boeren neemt verder af, veel Brabantse gezinsbedrijven gaan kopje onder in de ratrace van massaproductie en kostenreductie.

Huijbers moet de bakens dringend gaan verzetten en dat doet hij op vele fronten met verve. De ZLTO-organisatie wordt verkleind en gemoderniseerd. Dat is hard nodig. Veel kapitaal van de boerenbond verdampte met de megaverliezen van Vion, dat eigendom is van ZLTO. De vleesverwerker kan ternauwernood van de ondergang worden gered. Hans Huijbers is hoogst verantwoordelijke, als ambsthalve voorzitter van de toezichthoudende commissarissen. Wijselijk doet hij nadien een stap terug bij Vion: zo’n zware bijbaan kun je er niet bij hebben.

Want Huijbers heeft zijn handen bij ZLTO al meer dan vol. Het maatschappelijk verzet tegen de intensieve veehouderij wakkert aan. Burgers in het buitengebied accepteren geen megastallen meer in hun achtertuin. Huijbers lanceert een charmeoffensief, hamerend op het belang van maatschappelijke cohesie: de boer moet het eens zien te worden met zijn buren. Hij krijgt steun van de provincie. Er komt een rondreizend team van deskundigen uit het maatschappelijk middenveld, dat lokale problemen tussen boeren en burgers moet oplossen. Resultaten zijn veelal vaag, maar het Brabantse poldermodel doet zijn werk.

Stagnatie volgt als Huijbers de oorlog verklaart aan het provinciebestuur. Woest is hij over de verplichting voor boeren om stallen versneld milieuvriendelijk te maken: een dolksteek in de rug van honderden familiebedrijven. Al zijn bevlogenheid en invloed gebruikt de boerenvoorman om dit beleid politiek te laten torpederen. Tevergeefs, want ZLTO kan niet meer rekenen op de VVD. Doorgaans drukken de liberalen met de makkers van het CDA te veel agrarisch ongerief de kop in. Maar nu willen zij vooral andere bedrijvigheid in Brabant beschermen tegen de milieubelastende veehouderij.

Een bittere pil voor Huijbers, die landelijk juist furore maakt met zijn initiatieven om boeren een andere, meer ‘volhoudbare’ kant op te krijgen. Hij krijgt daarmee een spectaculaire entree in de Duurzame Top 100 van dagblad Trouw. En wandelt mee in het kielzog van milieugoeroe Marjan Minnesma naar de VN-klimaattop in Parijs.

Met de Brabantse natuur- en milieubeweging botert het in die tijd bepaald niet. Diep gegriefd is en blijft Huijbers door het gebrek aan empathie bij de groene partners in de polder met zijn strijd tegen de provincie.

Pogingen om vóór de recente Statenverkiezingen weer een gezamenlijk manifest voor het Brabantse buitengebied aan de politiek te presenteren, dreigen keer op keer te stranden op agrarisch wantrouwen. Maar als ZLTO tijdens de eindeloze onderhandelingen erkenning verwerft voor het bestaansrecht van de intensieve veehouderij, werpt Huijbers zijn volle gewicht in de schaal om zijn bestuur achter het manifest te krijgen. Daarmee geeft hij zijn opvolger Wim Bens een goede start in Brabant. Zo gaat een wijs bestuurder te werk.

(ter gelegenheid van het afscheid van Hans Huijbers als voorzitter van ZLTO op 4 april 2019)

Pagina 4 van 4

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén